Sunday, February 21, 2010

Arabische liefdesnacht in Molenbeek

Het was echt al een literaire lente in Brussel dit weekend. Op twee dagen waren er drie belangrijke literaire evementen, waarvan ik er in eerste instantie niet één wou missen. Op vrijdagavond presenteerde de Vlaamse dichter Paul Bogaert zijn recente dichtbundel ‘de Slalom Soft’ in boekhandel Passa Porta. Op zaterdag werden de verzamelde gedichten van de Franstalige dichter en romancier Henry Bauchau voorgesteld in boekhandel Quartiers Latins aan het Martelarenplein. Op zaterdagavond woonden we een avond met Arabische liefdespoëzie bij in Het Huis Van Culturen en Sociale Samenhang in het hartje van Molenbeek. Drie compleet verscheiden gebeurtenissen, waarvan ik de tweede wegens tijdsgebrek uiteindelijk toch heb moeten laten varen.

De Slalom live overtuigde niet. De ‘show’ die Paul Bogaert opvoerde, klonk humorloos, absoluut niet daadkrachtig, hortend en stotend. Het geheel was bovendien slecht voorbereid en werd uiteindelijk door mij ervaren als ‘boring’. Ahum... Nou ja, de min of meer ‘bekende’ dichter naast me vond het wel de max! Weet hij veel. Ik heb de indruk dat men in Vlaanderen en Nederland niet meer goed beseft wat poëzie is. Na een half uur haakte ik af. Ik ben opgestaan en ik ben vertrokken, de Brusselse nacht in. Ik begrijp wel waarom Bogaert voor deze dichtbundel de prijs kreeg voor de beste dichtbundel van 2009. Uit arrenmoede waarschijnlijk... Gebrek aan echt goede dichtbundels in een in alle opzichten vreselijk jaar. Dan krijg je teringpoëzie. De beste van de slechtsten krijgt uiteindelijk de prijs. Ik vind het taalgebruik van Bogaert kort, vlak en vulgair. Er zit geen enkele mysterie of dubbelzinnigheid in deze poëzie. Het is een soort van makkelijkheidsoplossing. Ik heb geen zin om naar veredelde in de vorm van een gedicht gegoten reclameslogans te luisteren. Er is genoeg reclame op tv! Ik las geprojecteerde regels als:

De sensation. Nee.
De Helix: te moeilijk.
De Snake. Wie noteert?


Ik begrijp ook niet waarom de poëzie van Bogaert zo populair is bij critici. Ik miste ook al in zijn vorige bundel de magie en de scherpte van echte poëzie.

De dag erna togen we naar het Huis van Sociale Samenhang in Molenbeek. Wat een verschil! Door de negatieve berichtgeving is het stigma van de buurt natuurlijk erg groot. Koren op de molen van sensatiezoekers. Hoe intimiderend het ook is om ’s avonds af te zakken naar Molenbeek vanuit het metrostation Ribacourt, het is niet écht gevaarlijk of riskant, zolang je de Marokkaanse hangjongeren niet uitdaagt en voor het hoofd stoot. Je zoekt gewoon je weg door de aan snacks en Marokkaanse koffie- en theehuizen samengetroepte menigte. Het helpt natuurlijk wel wanneer je met een beeldschone allochtone vrouw aan je zijde loopt. Alle aandacht en gefluit ging naar haar. Het optreden zelf was prachtig. Er waren eveneens drie voorlezers en bovendien een boeiende en mooie mix van poëzie, dans en muziek. De schitterende gedichten waren van de Libanese Joumana Haddad, de Jordaanse Taher Riad, de Iraakse Hashem Jafiq en de Libanese Fatiha Morchid. Daar kregen we voor een vol huis een staaltje van wat poëzie echt kan betekenen. De voordrachten waren van danseres Ghalia Benali, acteur Amid Chakir en Abdelmalik Kadi. De muziek werd verzorgd door Moufadhel Adhoum op oud en quanun, Abderrahim Semlali op viool en Azzedine Jalouli op percussie.

Er was eveneens een beamer en de in het Arabisch en Frans voorgelezen zeer moderne gedichten werden geprojecteerd in het Nederlands en het Frans. Deze keer heb ik het evenement wel een uur kunnen uitzitten zonder me een moment te vervelen. Ik moet bekennen dat de dubbele bodems en de specifieke humor in deze hedendaagse Arabische poëzie me wel eens ontgingen. De reacties van het publiek ook. Misschien lag dat aan het feit dat de vertalingen in het Frans en het Nederlands niet echt accuraat waren. Met mijn gebrekkige kennis van het Arabisch kon ik alleen wat fysieke woorden (qalb, ayn, etc.) onderscheiden, maar nooit de volledige betekenis van de gedichten. Ik kon mijn ogen ook niet afhouden van de drie muzikanten en van de prachtige danseres, die buikdanste alsof haar heupen losstonden van de rest van haar lichaam. Er gebeurde zoveel ineens op dat podium! De gedichten waren bovendien dan nog eens van een zeer hoogstaand niveau: tegelijk scherp, humoristisch en doorwrocht. Er werd gelachen en gejoeld in de zaal. Het was m.a.w. een avondje hedendaagse poëzie geijkt in een verrukkelijk rijke, poëtische traditie van meer dan duizend jaar. En dat op een boogscheut van Passa Porta.

Ik plant mijn aah’s en ooh’s in jou
En ik laat mijn sporen
van adem en gesteun na
op jouw achterste,
Daarom kneed ik jouw stilte
totdat hij ontvlamt,
Op dat moment,
Lik ik je stem
Ik proef haar met mijn schreeuw
Terwijl ik een glooiing afglijd
vol van gekreun.

(uit: ‘Ik kneed jouw stilte’ van Hashem Shafiq)


zie ook: http://www.urbanmag.be/artikel/1278/de-arabische-bibliotheek-van-hafid-bouazza

http://eerder.meandermagazine.net/recensies/recensie.php?txt=1878&id=

Henry Bauchau, Poésie complète 1950-2009, coll. "Domaine français", Actes Sud, mars 2009, 307 p. - 25,00 €

Paul Bogaert, De slalom soft, Meulenhoff/Manteau, 2009.

Thursday, January 14, 2010

Belgische surrealisten in de VS (3).

"Spirit proceeds by disruptive invention." - Paul Nougé.

excerpt from 'Spike Jones: Dandruff in the Long Hair of Music' by Hal Rammel, in the book 'Surrealist Subversions - Rants, Writings & Images by the Surrealist Movement in the United States', edited and introduced by Ron Sakolsky, Autonomedia 2002, ISBN 1-57027-122-4, page 650.

Belgische surrealisten in de VS (2).

"Early on, surrealists discovered this kind of imaginative freedom in African American music. The attraction to Black music must have seemed natural, for as the Chicago surrealist Group reflected in a special surrealist supplement to Living Blues magazine in 1976, "the surrealists could hardly have failed to recognize aspects of their combat in blues (and in jazz), for freedom, revolt, imagination and love are the very hallmarks of all that is greatest in the great tradition of Black music." Natural, yes, but not immediate. Some surrealists - Jacques Baron, René Crevel, Robert Desnos, Michel Leiris - appreciated jazz from the start, but others - including André Breton, author of the 1924 Surrealist Manifesto - initially found music less legible than the literary and plastic arts, and the great painter Giorgio de Chirico proclaimed "No Music". The winds shifted in 1929 when Belgian surrealist Paul Nougé published an essay titled Music is Dangerous, which offered a critical defense of music as one of many artistic forces "capable of bewitching spirit.""

excerpt from 'Freedom Now Sweet - Surrealism and the Black World' by Robin D.G. Kelley, in the book 'Surrealist Subversions - Rants, Writings & Images by the Surrealist Movement in the United States', edited and introduced by Ron Sakolsky, Autonomedia 2002, ISBN 1-57027-122-4, page 136.

Belgische surrealisten in de VS.

"A special 96-page "Surrealism in the Service of the Revolution" issue, edited by Franklin, appeared in January 1970; 5000 copies were printed - a thousand more than any previous issue. Later editions devoted substantial sections to French surrealist Benjamin Péret and Belgian E.L.T. Mesens. Under the Chicago group's direction, RA also published several handsome pamphlets - the "Surrealist Research & Development Monograph Series" - featuring works by the Chicagoans as well as Leonora Carrington, Joseph Jablonski, Paul Nougé, Nancy Joy Peters, and Toyen."

excerpt from 'Surrealist Subversion in Chicago: The forecast is hotter than ever!' by Ron Sakolsky, in the book 'Surrealist Subversions - Rants, Writings & Images by the Surrealist Movement in the United States', edited and introduced by Ron Sakolsky, Autonomedia 2002, ISBN 1-57027-122-4, page 69.

Wednesday, January 13, 2010

'La musique est dangereuse' van Paul Nougé.

"On sait aussi que Magritte, Mesens et Souris ont signé le 30 janvier 1932 le tract rédigé par Nougé sous le titre 'La poésie transfigurée' à propos de l'affaire Aragon et du poème Front rouge à la gloire de l'U.S.S.R. Se démarquant de l'appel lancé par Breton en faveur d'Aragon poursuivi par la justice, Nougé et ses amis n'admettent pas qu'un poème soit considéré comme une manifestation de l'inconscient ou relégué 'dans le domaine fermé de la contemplation esthétique' ; ils veulent lui restituer 'sa valeur intrinsèque de provocation humaine' ; ils trouvent normal , dès lors, qu'il 'incite désormais les défenseurs de l'ordre établi à user envers le poète de tous les moyens de répression réservés aux auteurs de tentatives subversives.'"

Paul Nougé, 'La musique est dangereuse, écrits autour de la musique rassemblés et présentés par Robert Wangermée', Didier Devillez Editeur, Bruxelles 2001, ISBN 2-87396-042-6, pag. 144-145.
Zie ook: 'De kracht van muziek: een pleidooi voor gevaarlijke muziek!' door Peter Wullen in Gonzo Circus #52, 2001.

Wednesday, December 30, 2009

Interview met Hakim Bey: de meester spreekt, met mate...

Als je ergens in het midden van een of ander woud in Ierland een man met een lange, grijze baard en een dikke bril ontwaart die op handen en voeten kruipend op zoek is naar paddo's en hallucinogene kruiden dan heb je veel kans dat je op Hakim Bey gestoten bent op zoek naar een bewijs dat de voorhistorische Kelten geestesverruimende middelen gebruikten tijdens hun rituelen. De enigmatische druïde van de apocalyps is zeer moeilijk te vatten voor een interview. Ik slaagde erin om hem vanuit zijn New Yorkse schuilplaats enkele uitspraken te ontfutselen. De meester spreekt, maar met mate...

In het boek 'Celtic Fairy Tales' uit 1892 van de Australische schrijver Joseph Jacobs vond ik een verhaal over Guleesh na guss dhu (Guleesh met de zwarte voeten). Op pag. 21 staat een tekening van een kruid met bloemen en vruchtjes. 'Hij ging ernaartoe, bekeek het plantje van dichtbij en zag dat er zeven takjes uit de stengel groeiden met zeven blaadjes aan elk takje; uit de bladeren vloeide wit sap.' Guleesh gebruikt het sap om zijn vriendin Mary, die in shocktoestand verkeert, in slaap te doen vallen. Als ze de volgende morgen ontwaakt, kan ze weer praten. Jacobs zegt niet welke plant Guleesh gebruikte. Is dit de befaamde Irish Soma waarnaar u op zoek bent?

Hakim Bey: "Het kruid in Guleesh ziet er een beetje uit als een Datura-plant (familie van de Belladonna, bevat het giftige en geestesverruimende atropine, P.W.) maar de tekst laat dit niet uitschijnen. Misschien is het een gefantaseerde of imaginaire plant. Je zou het feitelijk aan een Ierse plantkundige moeten vragen. De mogelijkheid om de spraak terug te schenken, lijkt een beetje op die van een soma maar planten die metamorfosen veroorzaken, die bijvoorbeeld de gave van de poëzie of van de profetie schenken, zijn er nauwer aan verwant dan planten die genezen. Genezen is natuurlijk ook een metamorfose maar dan wel hoofdzakelijk als het herstellen van een oorspronkelijke toestand eerder dan als het boven de norm uitstijgen naar een 'hogere toestand'."

Ik heb geprobeerd om 'Bolo'Bolo' van P.M. tot het einde uit te lezen maar ik ben maar halfweg het boek geraakt. Ik volg P.M. in zijn analyse van de wereldeconomie en de Planetaire Werk Machine. Maar ik haak af als hij schrijft over ibus, takus, sibis, universele taal, enz. Toen enkele maanden geleden de beurzen over de ganse wereld dreigden als een pudding ineen te zakken, dacht ik dat P.M. het voor het rechte eind had en dat het einde van de P.W.M. er eindelijk zou komen. Maar het Telaatkapitalisme heeft blijkbaar een zeer sterke zelfregulerende factor in zich. Er gebeurde niks. Of toch wel?

H.B.: "P.M. zag het jaar 1989 als het jaar van de globalisatie van het Kapitaal maar stelt daar een (dialectisch) antwoord tegenover van een parallelle globalisatie van weerstand - eigenlijk Marx's idee dat wanneer Kapitaal zijn 'laatste crisis' beleeft de internationale arbeidersklasse min of meer de productiemiddelen zal erven (met behulp van revolutionair geweld of erzonder? Hangt ervan af wie Marx leest). Dit lijkt een stap verwijderd van het principe difference and molecularity dat hij voorstelde in Bolo'Bolo. Het neigt naar een meer orthodoxe Marxistische voorstelling van internationalisme en proletarische cultuur. Maar ik heb het daar met hem nog niet over kunnen hebben."

De kranten stonden hier bol van het proces tegen Theodore Kaczynski of de Unabomber. Onze visie en berichtgeving hier in Europa is nogal wazig en eenzijdig, lijkt me. Kunt u me iets zeggen over de manier waarop de media in de VS het proces verslaan? Op welke manier bekijken de Amerikanen Theodore Kaczynski?

H.B.: "Ik weet niet hoe 'de Amerikanen T. Kaczynski zien'. Ik bekijk hem - de Unabomber - als een mislukkeling - zijn geweld tegen symbolische doelwitten en mensen als symbolische doelwitten werd door de media ingehaald als waanzin en terrorisme. Maar ik vind hem nog altijd moedig en ik vind dat hij moet behandeld worden als een politieke gevangene en niet als een gek."

In uw laatste geschriften leek het erop alsof u uit New York weg wilde en de stad wilde omruilen voor het platteland voor de situatie op een of andere manier ontplofte. Je wilde een klooster stichten als een utopia nu. Maar we zagen hier de laatste tijd nogal wat beelden en we lazen artikels waaruit moet blijken dat New York opnieuw één van de veiligste steden van de VS is. Hoe reageer je als rasechte New Yorker op deze berichten?

H.B.: "New York is ok. Het is veiliger omdat de crackheads allemaal dood zijn en niet door de acties van onze burgemeester. Er resten nog enkele boekenwinkels en bibliotheken. Als ik een betere plek kende, zou ik daar gaan wonen."

Sinds de Dutroux-affaire (die helemaal geen pedofiel is maar een ordinaire kindermoordenaar) in België is er over gans Europa (en de wereld?) een heksenjacht ontstaan op alles wat naar pedofilie ruikt. U noemt uzelf in TAZ een anarchistic boy lover. Is het niet gevaarlijk om tegenwoordig openlijk toe te geven dat je graag 'kleine jongens en meisjes' ziet?'

H.B.: "Die vraag is me te autobiografisch. Geen commentaar!"

U bent ook lid van de Moorish Society. Kunt u me daar iets over vertellen?

H.B.: "Ieder die daar meer over wilt weten, kan zich wenden of schrijven naar Shaykh Rafi Shaif Bey, Box 18637, Baltimore MD 21216."

Kunt u iets vertellen over de AAAZ? Was er echt een Tijdelijke Autonome Zone feest op antarctica?

H.B.: "Ja, er was zeker een astral party op Antarctica. Vijftig mensen schreven verslagen waarvan ik vijftig kopieën maakte en verdeelde aan nog eens vijftig rapporteurs. Geen ongelooflijke toevalligheden grepen plaats maar veel gelooflijke."

Komt er ooit een vervolg op TAZ? Hoe zal het vervolg heten? Wordt het PAZ (Permanent Autonomous Zone)? Wordt het een boek of wordt het gepubliceerd op het net? Met andere woorden, waar werkt u momenteel aan?

H.B.: "Mijn boek Millennium dat anderhalf jaar geleden gepubliceerd werd, is bedoeld als een vervolg en een kritiek op TAZ."

Kunt u iets zeggen over de samenwerking met Bill Laswell op de cd 'TAZ' uit '94?

H.B.: "De cd spreekt voor zichzelf. Bill en ik zetten onze samenwerking verder. Binnenkort verschijnt een nieuwe cd Hashisheen, inshallah."

Ik nam onlangs een interview af van Miekal en Lyx van het ecodorp Dreamtime Village in Wisconsin. Is Dreamtime Village een emanatie van uw ideëen?

H.B.: "Dreamtime is geen emanatie van mijn ideëen. Ik ben wel een aanhanger en een regelmatige bezoeker. Ik leer nog altijd van Wisconsin, in het bijzonder van de Effigy Mounds, die in hun geheel een betoverend landschap vormen en van de eccentrieke of naïeve artiesten van de hardstenen grotten, die hetzelfde probeerden te bereiken. Alles samen een Utopia, of toch op zijn minst de sporen ervan."

Tekst: Peter Wullen/Foto: Ira Cohen

interview werd afgenomen in 1998, intussen er natuurlijk veel veranderd, voor een emanatie van de ideeën van Hakim Bey aka Peter Lamborn Wilson, zie het boek 'Ploughing the clouds : the Search for Irish Soma' by Peter Lamborn Wilson, City Light Books, 1997, ISBN 0-87286-326-3.

Saturday, December 26, 2009

Quote of the Year 2009.

"Our good craftsman writes. He's absorbed in what takes shape well or badly on the page. His wife, though he doesn't know it, is watching him. It really is he who's writing. But if his wife had X-ray vision she would see that instead of being present at an exercise of literary creation, she's witnessing a session of hypnosis. There's nothing inside the man who sits there writing. Nothing of himself, I mean. How much better off the poor man would be if he devoted himself to reading. Reading is pleasure and happiness to be alive or sadness to be alive and above all it's knowledge and questions. Writing, meanwhile, is almost always empty. There's nothing in the guts of the man who sits there writing. Nothing, I mean to say, that his wife, at a given moment, might recognize. He writes like someone taking dictation. His novel or book of poems, decent, adequate, arises not from an exercise of style or will, as the poor unfortunate believes, but as the result of an exercise of concealment. There must be many books, many lovely pines, to shield from hungry eyes the book that really matters, the wretched cave of our misfortune, the magic flower of winter!"

Roberto Bolaño, '2666', 'Part Five - The Part About Archimboldi', page 786, Picador 2009, ISBN 978-0-330-44743-0.

Monday, November 30, 2009

Pionierszoon wordt pionier - over 'Manafon' van David Sylvian.

It's the farthest place I've ever been
It's a new frontier for me
And you balance things
Like you wouldn't believe
When you should just let things be

(‘Small Metal Gods’)

Bijna drie decennia geleden verkoos het Engelse tienerpopblaadje Smash Hits David Sylvian tot mooiste man van het jaar. Dat was in 1981 of in 1982. Heel eigenaardig want Sylvian verzette zich altijd hevig tegen zijn imago als posterboy. ‘Ghosts’ was de meest onwaarschijnlijke hit ooit. Op ‘Nightporter’ raakte hij verstrikt in zijn eigen weemoed. Maar het waren de withete funk van ‘The Art of Parties’ en de stuwende bas en synths van Mick Karn en Richard Barbieri op ‘Sons of Pioneers’ die mijn muzikale zintuigen aanscherpten. Sons of pioneers are hungry men…

In 2009 poseert Sylvian als een schriele en bleke poète maudit op de cover van het muziekmagazine The Wire. Het leven eiste zijn tol. De pijnlijke scheiding van Ingrid Chavez, de breuk met Virgin Records, de moeilijke zoektocht naar de essentie met zijn eigen muzieklabel Samadhi Sound, dalende albumverkopen: de voormalige popgod is al lang niet meer. Sylvian leverde na een sabbatperiode van bijna zes jaar wel zijn meesterwerk af. De internationale muziekpers was bijna unaniem lovend over ‘Manafon’ .De Vlaamse muziekpers maakte weinig melding van het album. Zelfs Dirk Steenhaut van De Morgen – nochtans een notoire Sylvian-adept – vergat het chef d’oeuvre van Sylvian te recenseren. Dat komt ten dele omdat ‘Manafon’ op het eerste gehoor zo’n moeilijk, experimenteel en persoonlijk album is. Maar de hedendaags klassieke inbreng is ook baanbrekend. Sylvian ging nog nooit verder in zijn persoonlijke beslommeringen.

Aanvankelijk lijkt het ernst en sérieux alom op 'Manafon'. Het woord chamber music valt. Maar de initiële schijn bedriegt. Voor de aandachtige toehoorder zit het album vol toespelingen en ironische knipogen gebracht door die typische baritonstem, die met de jaren aan kwaliteit en rijpheid wint. Op de hoes kijkt een schichtig hert ons aan vanuit een lichtplek in het woud. Boer Sylvian poseert op de binnenflap als een volleerde stroper met een dode haas in de rechterhand. As a God everything was filled to excess/As a man he settled for less/Here lies the rabbit skinner/God love the rabbit skinner. Dit is overduidelijk een autobiografische song.

Sylvian had tot nu toe een meer dan moeizame band met het geschreven of gezongen woord. Zijn drang naar perfectie en experiment was altijd omgekeerd evenredig met de kracht van zijn taal. Hoe verfijnd zijn muzikale sfeerstukken ook waren, als voormalige new romantic blaakten zijn lyrics van nietszeggende introspectie, soms ondraaglijk futiel en banaal (zie de Hare Krishna toestanden op zijn laatste album voor Virgin 'Dead Bees On A Cake'). Sylvian gaf ons ondanks zijn muzikale zeggingskracht altijd de indruk niks echt belangrijks of wereldschokkends te vertellen te hebben. Hij bezit niet de dichterlijke en conceptuele overtuigingskracht van een Scott Walker.

Hij overstijgt dat euvel door in zee te gaan met veel experimenteel volk en zijn grenzen telkens opnieuw te verleggen. Dat is hem dit keer bijzonder goed gelukt. Het kan niet genoeg gezegd worden: 'Manafon' is ook op tekstueel gebied een onvolprezen voltreffer. Na dertig jaar carrière en rijping krijgen we dit in de schoot geworpen. Zijn vorige albums 'Blemish' (uit 2003) en 'Snow Borne Sorrow' (uit 2005 onder het alias Nine Horses) verbleken bij zoveel durf en talent op één schijfje samengeperst. Het contrast met 'Blemish' is groot. Ondanks de extreme muzikale setting van dat laatste album, onder meer een samenwerking met de experimentele gitarist Derek Bailey, bleef het ding steken in een bijna ondraaglijke, zeer zeurderige en monomane introspectie, ingegeven door de bittere scheiding van zijn vrouw Ingrid Chavez. Op 'Snow Borne Sorrow' ging hij een wisselvallige alliantie aan met de experimentele muzikant Burnt Friedman en met zijn broer Steve Jansen. Op zich waren dat geen slechte albums, maar met 'Manafon' veegt hij zijn ganse oeuvre gewoon op een hoopje.

Hier is de nieuwe Sylvian. Vergeet de oude! Too much self/Now he will never ever be/The greatest living Englishman, bekent hij zelf in het autobiografische ruim tien minuten durende 'The Greatest Living Englishman'. 'Manafon' is het resultaat van diepgaande en eenzame zelfanalyse in de wouden van New England en van sessies tussen 2004 en 2007 in Wenen, Tokyo en London met artiesten als Christian Fennesz, de voltallige Polwechsel, Evan Parker, John Tilbury, Keith Rowe, Otomo Yoshihide, Sachiko M. en vele,vele anderen. Sylvian leidde de sessies maar de eigen muzikale inbreng is uiterst gering. Hij hield zich dit keer grotendeels bezig met het improviseren van doorwrochte teksten. Felle maatschappijkritiek komt even om het hoekje kijken in het fragmentarische 'Random Acts of Senseless Violence', dat drijft op de pointillistische pianotonen van John Tilbury. And the future will contain/Random acts of senseless violence.

De aangezochte muzikanten zorgden voor discrete en intense soundscapes, gracieus maar onderkoeld, die nooit in de weg komen van zijn zuivere en warme stem. Het resultaat is heel merkwaardig en subliem. Sylvian schrijft nog steeds niet bepaald gedichten, maar hij improviseerde teksten bij de door hem geselecteerde muziekstukken, die tijdens de verschillende sessies tot stand kwamen. Met dank aan Christian Fennesz, waarmee hij voor het eerst samenwerkte op ‘Blemish’ en die hem verder introduceerde in de experimentele muziekwereld. 'The Rabbit Skinner', 'Emily Dickinson', 'Manafon' (over de in het Welshe dorp residerende Engelse dichter R.S. Thomas): de titels van de songs spreken voor zich. De inspiratie druipt er dit keer wel van af. 'Manafon' is met niks te vergelijken dat dit jaar verscheen of nog zal verschijnen. De beste artiesten zijn zij, die zich telkens opnieuw heruitvinden. Sylvian behoort voortaan tot die keur.

And when it appeared
It was a flaming book of matches
A hundred and twenty-five spheres
On a parquet floor

(‘125 Spheres’)


'Manafon' van David Sylvian is verkrijgbaar via zijn label Samadhi Sound in gewone editie en luxueuze editie, http://www.samadhisound.com/.

Monday, November 02, 2009

'Ik, de dichter' van Rodaan Al Galidi.

In zijn ellendige jaren
liet ik mijn volk in de steek,
ontsnapte naar een andere taal
en bedelde om de vrijheid van anderen
voor mij en mijn pen.

Toen mijn volk
brood zocht in de zakken van bloederige lijken,
zocht ik als een rat
naar een citaat over mij op het internet
om op de kaft van mijn boek te zetten.
...

Met gemeenheid en laagte
stal ik het bloed en de tranen van mijn volk
en verhandel die op festivals.
Ik, de dichter.
Zelfs dit gedicht schrijf ik
om te bewijzen dat ik nog mens ben.

uit: 'Digitale Hemelvaart', Rodaan Al Galidi, Meulenhoff 2009, ISBN 978 90 290 8557 1.

Saturday, October 24, 2009

Das Leiden des Jungen Hesselink - Over 'Stil Alarm' van Krijn Peter Hesselink.

In vogelperspectief een zwartwitillustratie van een kat rustend op een tafel met twee stoelen, waarvan één alvast vooruitgeschoven. Een anoniem personage staat klaar om aan te schuiven. Je ziet alleen de benen en een stuk van de badmantel. De auteursnaam in witte letters. De titel in rooie letters. Het typeert de statische wereld van Krijn Peter Hesselink. Ik was niet mals voor zijn debuutbundel 'Als geen ander'. Zijn tweede 'Stil Alarm' vertoont wat beterschap. Er is flink gewied in woordenschat en beeldtaal van de gerijpte dichter. In sommige gedichten lukt het om een wereld op te roepen voorbij het triviale, dat het debuut van Hesselink kenmerkte. Toch ontwringt 'Stil Alarm' me een luide geeuw van verveling. Het talent van Hesselink is inconsistent.

Ik wik mijn woorden. Hesselink is een bezig mannetje. Nauwelijks een jaar geleden brak hij weinig potten met ‘Als geen ander’ en hier is alweer ‘Stil alarm’. De nieuwe bundel is merkelijker donkerder en melancholischer dan zijn voorganger. Dat geldt zowel voor de binnen- als de buitenkant. De absurde humor en het jongensachtig enthousiasme zijn niet helemaal verdwenen, maar werden naar de achtergrond verdrongen ten gunste van een gevoel van weltschmerz. Wat niet weg is, zijn de tics en trucs van de podiumartiest. In het gedicht ‘Bent u daar nog?’ bijvoorbeeld vindt een hand een hand in een tas, die gevonden wordt door de spoorwegpolitie. Op zich vind ik dat best een goed idee om een gedicht rond te draperen, maar het gedicht wordt verpest door een mallotige titel en een knullig einde.


tot iemand
van de spoorwegpolitie
argwaan kreeg en behoedzaam
het duister van de tas
uiteenreet, de inhoud
aangaapte, hoe overbodig
kan een mens zich voelen
er was slechts plaats voor twee

(uit ‘Bent u daar nog?’)


‘Stil alarm’ staat vol briljante trouvailles. Ik had nog nooit van een adoptiekip gehoord. Ik moest even googlen. Blijkt het een typisch Nederlands fenomeen te zijn. Daar kun je een kip adopteren ten gunste van het biologisch houden van kippen. De term valt onhandig middenin het gedicht ‘Een nieuw begin’, een gedicht dat overigens veelbelovend begint, ‘God keek omlaag en liet een bankje neer’, maar dan verkloot wordt door een vrij onhandig te boek gestelde stream of consciousness, waarin het ‘abonnement op een adoptiekip’ dan nog eens past als een tang op een varken.

God keek omlaag en liet een bankje neer
te midden van de woestenij en prompt
was er een kijkrichting, ontrolde zich
een pad waarlangs een eerste mens bedeesd
aan kwam lopen, plaatsnam, het geheel
in perspectief zag, zijn abonnement

op een adoptiekip was inderdaad
verstreken nu,...

(uit: ‘Een nieuw begin’)


Hesselink is Peter Verhelst niet of Ruth Lasters of Hanz Mirck, om maar eens een landgenoot van hem te vernoemen. Ik lees veel fantastische ideeën in ‘Stil alarm’, maar te weinig goed uitgewerkte inhoud. In ‘Wat meedrijft’ verdrinkt een muis in een honingpot. Vraag me niet hoe dat gebeurde. In ‘Heimelijke recreanten’ drapeert een meisje een autovoorruit om haar schouders na een tragisch fietsongeval. In ‘Aftiteling’ druipen de eindtitels van een film van het doek. Hesselink brengt het echter zelden tot een goed einde. Ik lees te veel anticlimaxen en non sequiturs. Dat heeft misschien te maken met het duidelijke verschil tussen voorleespoëzie en poëzie op papier, waar een en ander gewoon niet werkt. Spreektaal is geen schrijftaal. Veel gedichten zijn gewoon te breedvoerig. Ik citeer het einde van het gedicht ‘De ongenode gast’:

de deurbel gaat, maar ik heb niet de moed
de ongenode gast welkom te heten

(uit: ‘De ongenode gast’)

Ik geloof best in deze jonge dichter. Hij heeft duidelijk al een rijpingsproces achter de rug na zijn debuutbundel van een jaar geleden. Geef hem de tijd en de ruimte en de kans om tien dichtbundels snel na elkaar uit te geven, één jaarlijks, en hij krijgt het wel voor elkaar. Hij komt wel tot poëzie. Dichter zijn is tenslotte lijden. Een debuut leek zo aardig maar na verloop van tijd merk je dat het eigenlijk niet zo leuk was en kijk je verdwaasd terug naar je pogingen als debutant. Hesselink is op zijn best als hij gewoon zijn slome zelf is, zonder kapsones, en zonder zich iets aan te trekken van het luisterend publiek. In ‘Stil alarm’ las ik ook enkele lekker uitgestrakte en korte gedichten, die de weg voorwaarts aanduiden. Uit de cyclus ‘Een ruit uit zijn sponningen’ citeer ik ‘Verwaaiingen’:

Het waait, je raapt
dakpannen tot
de wind het huis
zo leeg kan lepelen

Het waait, je raapt
bakstenen tot de wind
geen huis
meer vindt

Het waait, je raapt
oogleden, ergens
staat een ruit uit zijn sponningen
tegen een boomstam geleund

(uit: ‘Verwaaiingen’)

Krijn Peter Hesselink, 'Stil Alarm', Nieuw Amsterdam 2009, ISBN 978 90 468 0681 4.

Zie ook: 'Le tout autre est tout autre', over 'Als geen ander' van Krijn Peter Hesselink, http://www.urbanmag.be/artikel/1367/le-tout-autre-est-tout-autre; http://www.urbanmag.be/artikel/1591/das-leiden-des-jungen-hesselink.

Wednesday, October 07, 2009

'De artiest en het oneindigheidsteken' - over de nieuwe roman van Rodaan Al Galidi.

Een allegorie is een vorm van beeldspraak, die een hele zin of meerdere zinnen wordt volgehouden, in tegenstelling tot de metafoor, waarbij één woord door een beeld wordt vervangen. De Iraaks/Nederlands/Belgische Rodaan Al Galidi schrijft vanuit zijn Iraakse verteltrant allegorische teksten in het Nederlands, zowel romans als gedichten. Als we zijn nieuwe roman 'De autist en de postduif' beschouwen als een allegorische roman, dan is dat vooral omdat hij de Nederlanders beschrijft als een oersaai, bijbelvretend, simplistisch volkje van duivenmelkers. Maar er zijn meerdere redenen te bedenken waarom het procédé in deze roman niet werkt.

Al Galidi werd in 1971 geboren in Zuid-Irak. Hij wou aanvankelijk vioolspeler worden maar er was geen leraar voorhanden in zijn land. Toen hij zes of acht was, begon hij gedichten te schrijven. Hij studeerde af als bouwkundig ingenieur in Arbil. In februari 1998 vroeg hij asiel aan in Nederland. Na het negatieve antwoord - het ministerie van Justitie noemde hem een leugenaar - belandde hij op de lijst van de uitgeprocedeerden. Hij leerde zichzelf de Nederlandse taal. Al Galidi weigerde het ‘generaal pardon’ van de Nederlandse regering en vertrok naar België. Momenteel verblijft hij in Antwerpen. Al Galidi schreef de succesvolle dichtbundels ‘De herfst van Zorro’ en ‘De laatste slaaf’ en de succesroman ‘Dorstige rivier’. Hij werd talloze keren bekroond en genomineerd, onder meer voor de tweejaarlijkse PEN-prijs, de El Hizjra-Literatuurpijs en de Phenix Essayprijs. ‘De herfst van Zorro’ stond op de shortlist voor de VSB poëzieprijs en ‘Dorstige Rivier’ op die van de BNG Nieuwe Literatuur Prijs. Van ‘Dorstige Rivier’ werd onlangs een Engelse vertaling gemaakt.
‘De autist en de postduif’ vertelt in twee verhaallijnen de absurde fabel van de geniale autist Geert. Zijn ma Janine wordt zwanger tijdens een feestje in een schuur. De bevruchting gebeurt ritueel via een kommetje en een rietje zodat Janine niet weet wie van haar drie homovrienden de vader is. Janine gaat alleen wonen met haar kind en vindt werk en een woning in een kringloopwinkel, een magische wereld voor de jongen, die er zijn infantiel universum van maakt. Naarmate het verhaal vordert, verglijdt Janine echter meer en meer in de roes van de alcohol. Geert wordt een geniale vioolbouwer. Hij vindt op een dag toevallig een zwaar beschadigde Stradivarius in de tas van een oude vrouw en herstelt het kostbare ding zonder er de exacte waarde van te kennen. Hij bouwt de viool na met hout van de banken in de spullenwinkel en wordt op slag een beroemde vioolbouwer wanneer een Duitser hem ontdekt.
De tweede verhaallijn begint wanneer Geert een woning koopt voor zichzelf en alleen gaat wonen. In het huis, dat vroeger van een duivenmelker was, bleef een doffer achter. Geert biedt de vogel gratis aan via het internet. Het beest vliegt echter telkens terug naar huis en brengt op zijn vlucht steeds nieuwe mensen mee. Ten einde raad brengt hij de duif naar het uiterste zuiden van het land en ontmoet daar Annamaria Anna Laura, die zijn vrouw wordt, zijn zakenpartner en de moeder van zijn kind. ‘De autist en de postduif’ eindigt dus met een gelukkige noot.
Ik had tot nu toe een onverholen bewondering voor Al Galidi. Van afgewezen asielzoeker bracht hij het tot succesauteur met een bagage van nauwelijks 3000 Nederlandse woorden, gelijk aan die van een autist. Ondanks de autobiografische elementen, die ongetwijfeld in het boek verborgen werden, haak ik voor ‘De autist en de postduif’ echter tijdelijk af. Er schort iets aan de structuur van het boek. Het gedeelte ‘de kringloopwinkel’ wordt veel te lang uitgesponnen. Na 50 pagina’s verlang je gewoon naar het einde. Het veel te korte tweede hoofdstuk ‘het leven’, met de doffer die steeds terugkeert naar huis, vind ik persoonlijk veel interessanter maar dat hoofdstuk werd dan weer te slecht en te oppervlakkig uitgewerkt. Het boek zit bovendien vol platitudes, zoals de emmer koud water die hij over zijn eerste liefje giet om ‘haar nat te maken’. Ik bestierf het niet echt van het lachen.
Het hoofdpersonage Geert is een soort karikaturale Harry Potter-figuur, die het via een aantal zeer ongeloofwaardige wendingen van autist met een zeer beperkte attitude en woordenschat schopt tot bekende vioolbouwer. De overige personages komen nooit goed uit de verf. Misschien zit de allegorie hem in het feit dat Al Galidi zich als een vioolbouwer ziet, die kunst maakt uit brandhout en er veel geld voor krijgt van lieden, die er zelf nog meer geld aan verdienen. Misschien zit de allegorie wel in het verrassende einde. Zijn zwangere vriendin Annamaria Anna Laura trekt bij hem in en neemt en passant haar kinderen mee samen met hun respectievelijke multiculturele vaders, een Chinees, een Marokkaan, een Turk en een Nederlander. Zo wordt hij zelf een soort van gastland voor zijn stiefkinderen. Het is de enige passage waar Al Galidi min of meer bevlogen uit de hoek komt.

“De eerste drie ongelukjes waren van een Chinees, een Marokkaan en een Turk. Ze hadden haar verblijfsvergunning in hun harten beëindigd toen ze een verblijfsvergunning in Nederland kregen. Het vierde kind had een Nederlandse vader. Hij had geen verblijfsvergunning nodig en verdween uit haar leven toen hij wist dat ze zwanger was. Ze woonde al tijden bij haar halfbroer Jan, die voor haar kinderen meer een vaderfiguur was dan hun echte vaders. Hij had een bierbuik, een biernek, een bierkin, bierwangen en bierlippen.” (pag. 182)

En zo gaat het maar door. Grappig of hilarisch kun je dit nauwelijks noemen. Misschien heeft Al Galidi teveel gewild met zijn groots opgezette eerste roman over de Nederlanders. Dit komt over als haastwerk. ‘De autist en de postduif’ is geen Stradivarius, hoogstens een krakkemikkig orgeltje dat in een achterkamertje maar door en door blijft zeuren.

'De autist en de postduif', Rodaan Al Galidi, Meulenhoff/Manteau 2009, ISBN 978 90 8542 203 7.

Meer referenties:

Sunday, October 04, 2009

'Spaend'ren van de tael van Vlaend'ren' - Over de verfransing van Brussel.


Enkele weken geleden verhuisde ik - na ruim twee decennia - van Kortrijk naar Brussel. De redenen waren persoonlijk en dringend. Als een soort van teken aan de wand ontving ik nauwelijks een week later op mijn nieuwe adres het standaardwerk 'Het verhaal van het Nederlands' van Nicoline van der Sijs en mijn vroegere prof aan de VUB Roland Willemyns. Aangezien Brussel tijdens de 20 jaar, dat ik elders woonde, uiterlijk nauwelijks veranderde, maar intern zowaar een Franstalig bolwerk werd, was de timing voor de verschijning van het boek voor mij niet eens zo slecht gekozen. Het leek me bijna een provocatie om met dit boek onder de arm van het postkantoor in Laken naar mijn appartement iets verderop te stappen.

Hoe is het eigenlijk zover kunnen komen? 'Het verhaal van het Nederlands' verschaft me een begin van een antwoord. Het thema van de verfransing van Brussel is natuurlijk verre van nieuw. De taalproblematiek van het Nederlands in Vlaanderen en Holland is ook wel veel omvattender dan enkel de situatie in het hartje van België. Willemyns en van der Sijs situeren het begin van het Nederlands trouwens al in de zesde eeuw. Ze halen daarmee de hardnekkige mythe onderuit dat het Oudnederlandse zinnetje ‘hebban olla uogala…’, dat een verliefde monnik in Engeland in de 12de eeuw ergens in de marge neerpende om zijn pen uit proberen, het eerste Nederlandse zinnetje was. Het oudste Nederlands werd teruggevonden in de Lex Salica, de Salische wet, die opgetekend werd tussen 509 en 511 ten tijdje van de Merovingische vorst Clovis. De Germaanse woorden, die vermeld werden in de Lex Salica, gelden als het oudste Nederlands. Wetenswaardig is ook dat het woord ‘nederlantsch’ voor het eerst opdook in een Brusselse oorkonde van het jaar 1518. Dat was in de Bourgondische tijd. De bestuurstaal was Frans. De volkstaal was een sappig Brabants dialect. Brussel was een Vlaamse stad.

Ik weet uit ervaring – mijn echtgenote is allochtone en probeert zowel het Nederlands als het Frans zo goed mogelijk onder de knie te krijgen - dat het makkelijker is om in Brussel colleges Nederlands te volgen dan lessen Frans. Die laatste zitten steevast tjokvol en zijn weken vooraf al volgeboekt. Het is bijna onmogelijk om je begin september nog in te schrijven voor één of andere cursus Frans. Ondanks de inspanningen van de overheid en van de Nederlandstalige verenigingen om scholen in te richten en om het Nederlandstalig onderwijs te promoten, is het Nederlands al decennia lang aan een gestage neergang bezig. Die achteruitgang is zich de laatste jaren aan het voltooien. In zoverre zelfs dat bepaalde politieke strekkingen in Vlaanderen tegenwoordig pleiten voor het loslaten van Brussel. Achterliggende oorzaak is misschien het feit dat het Frans een wereldtaal is en daardoor meer prestige heeft en dat men denkt sneller aan werk te raken éénmaal men het Frans onder de knie heeft. De meeste vreemdelingen die in Brussel neerstrijken, spreken bovendien al een mondje Frans, zodat het voor hen makkelijker is om die taal aan te leren. Een minderheid kiest dan voor het ogenschijnlijk minder bekende en veel minder aantrekkelijke Nederlands.

Misschien trap ik met deze bedenkingen open deuren in. Aan de hand van het boek van Willemyns en van der Sijs legde ik aan mijn allochtone echtgenote uit hoe het komt dat een bij uitstek Vlaamse stad een meertalige metropool werd waar het Frans de boventoon voert. Een exclusiviteit is dat Brussel de enige stad is in België waar de sprekers van de twee talen niet van elkaar gescheiden worden door een geografische barrière. Een Brusselaar beschouwt zich niet als Vlaming of geen Waal, maar als Brusselaar tout court. Eenderde van de inwoners van Brussel is bovendien van vreemde origine en die vreemdelingen hebben al helemaal niks te maken met de beide taalgemeenschappen.

De kentering – legde ik aan mijn geïnteresseerde vrouw uit – kwam er in de tweede helft van de negentiende eeuw. Brussel verschilde toen niet van de andere Vlaamse steden: de sociale elite was tweetalig en gebruikte het Frans voor de meeste cultuurtaalfuncties. Het Nederlands, dat door het overgrote deel van de bevolking werd gesproken, was een pittig Brabants dialect. De vraag is waarom in de meeste Vlaamse steden de verfransing kon tegengehouden worden, maar in Brussel niet. Brussel fungeerde sinds de Bourgondische tijd als hoofdstad. Tijdens de Franse annexatie werd het Frans er dan ook intenser beoefend, onder meer door een toevloed van Franse immigranten, die er nadien bleven wonen en die het taalleven van de stad ingrijpend beïnvloedden. Door de proportioneel sterke concentratie van de financiële en industriële macht steunde Brussel vooral op de Waalse industrie. Gevolg was een bevolkingsexplosie van vooral franstaligen die naar Brussel trokken. De Vlaamse immigranten die er kwamen wonen, waren meestal van lage sociale komaf en werden geconfronteerd met een taalbarrière die ook een sociale barrière was. Pogingen om het ‘verder te brengen’ moesten in het Frans. Dat was zo tot ver in de 20ste eeuw. Vlaams werd geassocieerd met armoede en sociale en culturele achterstand. Dat is het verhaal in een notendop. Dat stigma hangt nog steeds over de stad.

Die verfransing werd tijdens de eerste helfst van de 20ste eeuw nog eens in de hand gewerkt door catastrofale talentellingen. De wet bepaalde immers dat een gemeente met meer dan 30% anderstaligen automatisch de tweetalige status kreeg. Daardoor voegde men in de loop van de tijd in razend tempo de Vlaamse randgemeenten bij het tweetalige Brussel, waardoor de verfransing met reuzensprongen toenam. In de jaren ’50 en ’60 maakte men komaf met die annexaties, maar het kwaad was allang geschied. De verhoudingen zijn tegenwoordig zo’n 70.1% Franstaligen tegenover 29.9% Nederlandstaligen. Verder valt te vermelden dat de federale overheid vanaf de jaren zestig wel tal van inspanningen deed om taalhomogene, Nederlandstalige netwerken en structuren voor de persoonsgebonden instellingen uit te bouwen: zowel ziekenhuizen, poliklinieken, culturele centra, e.d. en het tekort hieraan in de hoofdstad weg te werken. De inspanningen wierpen hun vruchten af, maar bleven meestal toch onvoldoende. Ze stelden de talige minderheidsbevolking in elk geval in staat om haar identiteit te bewaren, hoewel het voor Vlamingen nog steeds veel moeilijker ligt dan voor Franstaligen.

Dit alles legde ik dus uit aan mijn echtgenote. Ik voegde eraan toe dat we vandaag misschien opnieuw een kentering meemaken. Temidden de babelachtige verwarring van Marokkaans, Turks, Russisch, Pools en hier en daar wat Frans als voertaal, liep ik dus naar huis met mijn boek ‘Het verhaal van het Nederlands’ onder de arm. Mijn medereizigers keken nauwelijks op van de turf op mijn schoot. Ze wierpen er hoogstens een nieuwsgierige blik op en lieten me dan ongestoord. Meertaligheid brengt taalvrede, dacht ik. Er is geen taalstrijd meer in de hoofdstad Brussel. Er zijn alleen maar net zoveel talen als de mensheid rijk is. Ik dacht ook na over het Frans als ‘lingua franca’. Ik dacht na over mijn positie als Vlaming en over de Brusselse administratie, waar ik regelmatig tegen opbots, omdat die tegenwoordig zelfs de tweetaligheid aan hun laars lapt en er dode letter van maakt, zoals ik kon vaststellen de afgelopen weken. Ik ben een Vlaming in hart en nieren. Ik woon in de hoofdstad. Ik ben geen extremist. Ik spreek, schrijf en werk graag in mijn eigen taal. Het boek van Willemyns en van der Sijs bood me een beetje troost. Mijn kinderen zullen waarschijnlijk Engels of Frans spreken.

'Het verhaal van het Nederlands - een geschiedenis van twaalf eeuwen', Nicoline van der Sijs & Roland Willemyns, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2009, ISBN 978 90 351 3282 5.

Friday, September 18, 2009

De getande slagschaduw van Hugo Claus

Absurd! Dat is het enige predikaat dat ik kan bedenken bij de banvloek die de lijkenpikkers van het Vlaamse pontificaat uitspraken over de zelfgekozen dood van Hugo Claus. Anderhalf jaar later pivoteert 'getande raadsels' van Patrick Conrad rond dit heikele thema. Claus zelf zou versteld staan over hoeveel dood zijn leven overschaduwt.
In een leven van enkele (grote) successen en veel nederlagen en mislukkingen is de keuze en de enscenering van de eigen dood het grootste succes en het ultieme toneelstuk. Maar ik nam me na lezing voor om me voortaan te onthouden van het lezen van hommages, eerbetonen en vriendenboeken. Alleen literaire studies over de werkelijke waarde van het werk van Claus kunnen me nog boeien. En die zijn er op dit moment nog niet.
Wat kan ik toevoegen aan het boekwerkje van Patrick Conrad? Deze titaan, charlatan en half mislukte Hollywoodadept smeert het nogal dik uit over de pagina's van 'getande raadsels'. Geen geheimen blijven verborgen. Alle persoonlijke foto's, memorabilia, herinneringen en ontmoetingen met Claus worden zorgvuldig geanalyseerd. Het scharniermoment valt ergens midden in het boek. In een halfdronken bui drukt de dichter de filmmaker aan de bast en noemt hem driemaal 'mijn vriend, mijn vriend, mijn vriend'.
Had Claus wel vrienden? Hoogstens een vrouw, wat kinderen en enkele intimi... De filmhaai Conrad steunde hem in het realiseren van zijn filmprojecten. Wie ging aan de haal met het genie van Claus? De filmprojecten liepen keer op keer faliekant af, buiten die ene keer dan. 'Het Sacrament' is de enige film van Claus die in de annalen mag bijgeschreven worden. Een ijzersterke cast en een onwrikbaar budget maakten van de film een hit. Claus: het one-hit-wonder?
Waarom wou de schrijver en dichter Claus perse films gaan maken? Op die vraag krijgen we in 'getande raadsels' geen antwoord. Het is nochtans essentieel. Wel krijgen we een beschijving van de uiterst gênante première van 'De leeuw van Vlaanderen', waarbij de koning Claus de hand drukte met de opmerking dat de film vele 'skone landschappen' vertoonde. Conrad volgde Claus doorheen zijn turbulente bohémien-leven, deelde zelfs zijn vrouwen en werd even zijn buur in zijn optrekje in het zuiden van Frankrijk.
Aangrijpend is de opname van het gedicht van Claus waarin hij zijn eigen euthanasie voorspelde:

Ga verder
Sodium thiopental
Zo, je bent buiten westen
Dan pancuronium bromide
Je longen begeven
Dan potassium chloride
En je hart houdt op

Dat kan ik nooit onthouden

Niet zijn beste gedicht, maar... De mens Claus blijft ongrijpbaar doorheen het boekje. Meer dan een jaar na zijn dood weten we het wel. Claus blijft een goed bewaard geheim. De stroom van publicaties laat echter niet af. Conrad droeg zijn steentje daartoe bij. Het amusante en gedetailleerde boekje weegt te licht om een onuitwisbare indruk op mij na te laten. Het staat wel goed in de boekenkast onder de rubriek weetjes-die-er-niet-toe-doen-over-Hugo-Claus. Toch mooi, zo'n boekje over Claus met je eigen naam erop geplakt. Herinneringen, noemen ze dat...

'getande raadsels - herinneringen aan Hugo Claus', Patrick Conrad, Meulenhoff/Manteau 2009, ISBN 9 789085 421788.

ook te lezen op: http://www.urbanmag.be/artikel/1583/de-getande-slagschaduw-van-hugo-claus

Tuesday, December 30, 2008

Opknappers & Afknappers 2008

OPKNAPPERS 2008

Geert Buelens, 'Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog.' Ambo/Manteau, 2008.

Een krachttoer! Buelens toont hoe een oorlogscanon tot stand komt. 'Het lijf in slijk geplant' is een monumentaal werk en een standaard voor later onderzoek. Respect!

Rodaan Al Galidi, 'De laatste slaaf', Meulenhoff/Manteau, 2008.

Al Galidi woont nu in Antwerpen en keert in grote vorm terug. 'De laatste slaaf' kruipt onder de huid. Bedaarder en meer overdacht dan 'De herfst van Zorro' maar daarom niet minder bijtend.

Hans Groenewegen, 'Zuurstofschuld', Wereldbibliotheek, 2008.

Groenewegen is een fel onderschatte dichter. 'Zuurstofschuld' is misschien niet de volmaaktste dichtbundel van 2008 maar toch bereikt hij hier qua totaalconcept, schoonheid en eruditie af en toe zeer grote hoogten.

Peter Verhelst, 'nieuwe sterrenbeelden', Prometheus, 2008.

Deze dichtbundel komt zo ongeveer in alle eindejaarslijstjes voor van elke zichzelf respecterende literaire recensent. Zeer straf nieuw werk van Verhelst. Zinnelijk, meeslepend, erudiet... Alle epitheta zijn hier van toepassing in overtreffende trap. Claus is dood! Leve Verhelst!

Huub Beurskens, 'Eigenlijk heb je alles al', Meulenhoff 2008.

Deze komt in mijn eindejaarslijstje voor omwille van de laatste cyclus 'Het Vlot' én het allerlaatste gedicht uit de bundel 'Gods Eclips'.

Martinus Nijhoff, 'Verzamelde gedichten', Prometheus, 2008.

Een herontdekking van het werk van Nijhoff in een mooie en klassieke uitgave.

Leo Vroman, 'De mooiste gedichten, Uit Hollands Maandblad', met tekeningen van Iris Le Rütte, Hollands Maandblad-Reeks I, Nieuw Amsterdam, 2008.

Je hoeft het niet eens te zijn met de poëtica van een dichter om zijn werk te smaken. Dit is werkelijk één van de mooiste uitgaven van het jaar 2008. Een schat van een boek om te koesteren van de ouderdomsdeken der Hollandse poëten. N.B.: komt niet voor in de canon van Pfeijffer & de Vries. Van een schande gesproken!

Menno Wigman & Rob Schouten, 'De mooiste liefdesgedichten uit de wereldliteratuur', Prometheus, 2008.

Zeer mooie uitgave met tweetalige weergaven van de mooiste liefdesgedichten uit de wereldliteratuur: van Koning Salomon tot Hugo Claus.

Alain Bashung, 'Bijoux Bijoux', Barclay, 2008.

De meest poëtische van de Franse chansonniers. De zieke Bashung gaf onlangs een afscheidsoptreden in de Brusselse Ancienne Belgique, maar blijft zeer actief. Voor volgend jaar zijn opnieuw een aantal optredens gepland. Deze driedelige box bevat een zeer evenwichtig en genietbaar overzicht van 's mans carrière: van zijn eerste hit 'Gaby Gaby' tot nummers uit zijn laatste cd 'Blue Pétrole'.

Scott Walker at The Barbican in London, november 2008.

De meest poëtische van de Amerikaanse singer/songwriters. The old man's back again. Vanachter de mixconsole weliswaar voor een liveuitvoering van zijn twee meesterwerken 'Tilt' en 'The Drift'. Onverwacht maar zeer gesmaakt.

AFKNAPPERS 2008

P. Kouwes, 'Daar schrik je toch van', Nieuw Amsterdam, 2008.

Het kan blijkbaar nog steeds erger! Pom Wolff onttroond als slechtste dichter van Nederland. Hij staat voortaan op de tweede plaats na deze Kouwes.

Hugo Schiltz, 'Het gesloten schrijn', Meulenhoff/Manteau, 2008.

Verzamelde gedichten van een politicus maar er staan geen gedichten in. Een boekje dat koren op de molen vormt voor het Vlaams Belang.

Marc Tritsmans, 'Man in het landschap', Nieuw Amsterdam, 2008.

De erg vormvaste Tritsmans zit aan bij Nolens en Hertmans op de Boekenbeurs en hertekent het Vlaamse literaire landschap door met zijn bundel 30 jaar poëtische evolutie en experiment weg te vegen.

Stijn Vranken, 'Vlees mij!', Meulenhoff/Manteau, 2008.

Sloganeske bundel die bewijst dat slamdichters op papier niet deugen.

Krijn Peter Hesselink, 'Als geen ander', Nieuw Amsterdam, 2008.

Nog een slamdichtertje! Krijntje is een sympathiek performertje maar jammer genoeg geen dichtertje. Moet het hebben van de verkleinwoordjes.

Ilja Leonard Pfeijffer & Gert Jan de Vries, '500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben. De canon van de Europese poëzie.' Meulenhoff, 2008.

Warrige, slordige en quasi onleesbare vuistdikke bloemlezing met verschrikkelijk veel blunders en weglatingen. Nog nooit zoveel slechte vertalingen gelezen in één boekwerk. Ook een prestatie!

Saturday, December 20, 2008

De canon is dé canon niet

Over nieuwe canons van Ilja Leonard Pfeijffer & Gert Jan de Vries en Menno Wigman & Rob Schouten

In mijn boekenkast steekt een boekwerk uit 1980 met de viertalige titel ‘Dichters en Dichtkunst Uit Europa/Poètes et Poésie d’Europe/Poets and Poetry from Europe/Dichter und Dichtung aus Europa 1950-1980’. Het boek werd uitgegeven door de Leuvense Schrijversaktie onder redactie van Eugène Van Itterbeek. Uit elk Europees taalgebied – van Armeens tot Gaelic en zelfs het Arabische dialect dat op Malta gesproken wordt - werden de beste dichters geselecteerd en tweetalig opgenomen. Van Itterbeek leverde het bewijs dat je met een goede methodiek een heel mooie canon kunt samenstellen van Europese poëzie. Het boek geldt voor mij nog steeds als een standaard. In hun nieuwste canon van Europese poëzie doen Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries het heel wat minder. Door een gebrekkige werkwijze raken ze verzeild in poëtisch drijfzand. Menno Wigman en Rob Schouten doen het heel wat beter met een canon van liefdespoëzie uit de ganse wereld.

TURF

Er is iets vreemds aan de hand met de turf ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ van Pfeijffer en Gert Jan de Vries. De ondertitel ‘De canon van de Europese poëzie’ suggereert nogal wat. Is dit nu hét ultieme overzicht dat alle Europese poëzie van 3000 jaar ver samenvat? Het antwoord is NEEN! Daarvoor is het boek te onevenwichtig samengesteld. Een canon die aanvangt met Homerus en eindigt met Oosterhoff, kun je onmogelijk ernstig nemen. De Vlaming Geert Buelens deed het onlangs heel wat beter. Met ‘Het lijf in slijk geplant’ stelde hij wel een boeiende canon van oorlogspoëzie samen. De canon van Pfeijffer/de Vries en de canon van Buelens, het is een hemelsbreed verschil. Het verschil tussen maakwerk en een degelijke, wetenschappelijke studie…

‘500 gedichten…’ is op velerlei wijzen een waardevol boek, al druipt de Hollandse pretentie ervan af. Het vormt een uitstalraam voor het gros van de Nederlandstalige vertalersgilde. Tonnen zijn het er. Vertalers die uit bijna alle mogelijke Europese talen (geen Catalaans, Gaelic, Bretoens,…) vertalen, van het Vroegmiddelhoogduits (sic!) tot het Oudijslands, van P.C. Boutens tot Gerard Rasch. Aangezien de samenstellers nauwelijks een methodiek hanteerden is het een weinig consistente en zelfs ronduit vermoeiende en overdonderend keuze geworden. Het taalgebruik van Joost Van Den Vondel is niet het taalgebruik van Jan H. Mysjkin. Bij het bladeren door het boek leek het me alsof de samenstellers lukraak in hun boekenkast graaiden naar de meest voor de hand liggende vertalingen voor hun eigen persoonlijke keuze van gedichten.

Het boek bevat een omvangrijk stuk Griekse en Latijnse lyriek - een honderdtal pagina’s - , waarbij het ontbreken van kritische noten bij de vertalingen opvalt. Als classici zouden de heren toch moeten weten, dat bij het publiceren van vertalingen van Griekse en Latijnse lyriek minstens een verantwoording hoort bij de keuze van de vertalers, tenzij je de originele versies ook afdrukt, dan kan de onderlegde lezer zelf oordelen. Bovendien wordt hier vrij plots een grote sprong genomen van de antieke schrijvers van de oudheid tot de 4de eeuw naar de vroege Middeleeuwen in West-Europa. Via een Keltisch gedicht van Llywarch Hen uit de 6de eeuw en een fragment uit het Oudengelse epos Beowulf belanden we meteen in de 10de eeuw. De samenstellers slaan hier zomaar eventjes 4 eeuwen over.

GAELIC

De Europese canon wordt voor een groot stuk bepaald door de beschikbaarheid van vertalingen in het Nederlands. Tussen de 6de eeuw en de 10de eeuw kende het in sneltempo verchristelijkte Ierland een imposante literatuurproductie, deels in het Gaelic en deels in het Latijn. Keltische voorchristelijke literatuur werd te boek gesteld. Daarbij horen epi en gedichten die ontegensprekelijk tot de wereldliteratuur behoren, zoals het homerische epos Táin Bó Cualne (‘The Great Cattle Theft’). Het feit dat die belangrijke literatuurproductie buiten de canon blijft, wijst niet op vooringenomenheid van de samenstellers. Er bestaan geen vertalingen van in het Nederlands. De ondergewaardeerde Keltische Vroegmiddeleeuwse literatuur in het Gaelic, die op gelijke voet staat met die van de Grieken en van de Latijnen, blijft dus de grote onbekende in de Europese literatuur.

In ‘500 gedichten…’ , ontbreekt elk spoor van de pre-islamitische Arabische lyriek in het door de Moren veroverde Spanje. Ik denk hier aan dichters als Ibn Khafadjah, die zijn ganse leven doorbracht in Valencia, of de belangrijke Arabische dichter Ibn Zaydun, die resideerde in Cordoba en als voorloper kan gelden van de Romantiek. De Nederlands-Marokaanse vertaler Hafid Bouazza deed met zijn Arabische bibliotheekreeks onlangs geweldige inspanningen om die lyriek opnieuw toegankelijk te maken voor een Nederlandstalig lezerspubliek.

De onevenwichtigheid van de canon blijkt ook uit de keuze van gedichten uit de Lage Landen. De Hollanders krijgen 5 keer zoveel dichters toebedeeld als de Belgen. Bij de Hollandse dichters vinden we onder meer Hadewijch, Jacob van Maerlant, P.C. Hooft en Joost van den Vondel. Bij de moderneren ook Gerard Reve, Gerrit Komrij, Gerrit Kouwenaar, Tonnus Oosterhoff en H.H. ter Balkt. Bij de Belgen vinden we Willem, Anthonis de Roovere en Guido Gezelle maar ook Willem Elsschot, Paul van Ostaijen, Jacques Brel (!), Hugo Claus en Paul Snoek. De betrekkelijke keuze van de samenstellers blijkt uit het feit dat de hedendaagse Franstalige poëzie uit België en Frankrijk bijna volledig onbreekt. Het lijstje met Franse dichters houdt op met André Breton en Jacques Prévert, alsof er daarna niks meer kwam. Het lijstje uit Wallonië kent slechts één naam, nl. Maurice Maeterlinck, dit als we de halve Vlaming Jacques Brel even buiten beschouwing laten. Niemand ooit gehoord van de Franse dichter Yves Bonnefoy of van de in Antwerpen geboren Waalse dichter Werner Lambersy? In de plaats daarvan een zeer ongebruikelijke en betwistbare vertaling door Ernst van Altena van Brel’s ‘Ne me quitte pas’, waaruit hier een fragment:

Laat me niet alleen
Toe… vergeet de strijd
Toe… vergeet de nijd
Laat me niet alleen
En die domme tijd
Vol van misverstand
Ach… vergeet hem, want
’t Was verspilde tijd
Hoe vaak hebben wij
Met een snijdend woord
Ons geluk vermoord
Kom… dat is voorbij
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen

(uit: ‘Laat me niet alleen’, uit het Frans vertaald door Ernst van Altena)

STABRECHTSE HEIDE


Raar is ook dat de samenstellers zich niet uitdrukkelijk beperken tot Europa maar een Europese traditie ontwaren bij de Chileen Pablo Neruda, de Mexicaan Octavio Paz en de Braziliaan Carlos Drummond de Andrade, evenals een uitgebreide selectie poëzie toevoegen uit de Verenigde Staten. In hoeverre hier dus nog van een Europese canon kan gesproken worden, is maar zeer de vraag. Uit het Oosten komt het licht! Er wordt uitgebreid gesprokkeld uit de dichtkunst van Oost-Europa met een uitgebreide selectie Bulgaarse (8!), Roemeense, Tsjechoslovaakse (sic!), Tsjechische en Russische dichters. Bij de Russen eindigt de selectie onverhoeds bij Nobelprijswinnaar Brodsky. Elk spoor ontbreekt van de nieuwe, postmoderne dichters die na de perestrojka hoogtij vierden en die sindsdien ontegensprekelijk tot de Europese canon behoren: waar zijn Venedikt Erofeev, Igor Kholin, Arseny Tarkovsky, Olga Sedakova? Ik vraag het me af. Ik noem er maar enigen, die ontbreken in deze zogezegd allesomvattende canon.

Als uitsmijter een gedicht van het gecanoniseerde singer-songwriter duo Lennon, John en Paul McCartney, vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Ook weer een zeer betwistbare keuze. De beperkte en te eigenzinnige visie van de samenstellers verhindert dat dit boek als dé ultieme canon van de Europese poëzie mag beschouwd worden, zoals de auteurs het met veel zin voor relativiteit aankondigen in de inleiding. Daarvoor laten de auteurs te veel aan het toeval over. Het is daarentegen wel een imposante graaibox van in het Nederlands vertaalde literatuur uit bijna alle Europese talen. Geen canon dus maar wel een imposante bloemlezing. Uit ‘Strabrechtse Heide daar kom ik’ (een hertaling van ‘Strawberry Fields Forever’) een fragment:

Kom ik neem je mee naar de rand van de Strabrechtse Hei
Alles is schijn, en niets om van versteld te staan
Strabrechtse Heide daar kom ik

Strabrechtse Heide daar kom ik,
Strabrechtse Heide daar kom ik,
Strabrechtse Heide daar kom ik

Schaapskeutelsoep
Schaapskeutelsoep

(uit ‘Strabrechtse Heide daar kom ik’, vertaald uit het Engels door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes)


GIFGROEN

‘500 gedichten…’ steekt in een schreeuwerige rode, gifgroene en oranje kaft. Met zijn ronkende en tot bijna tot verplicht lezen aanmoedigende titel zal dit boekwerk zonder twijfel op de eerste schappen belanden van de boekwinkels tijdens dit eindejaar. Tegelijk met ‘500 gedichten…’ verscheen als antidote echter ook een serieuze concurrent, nl. het zeer leuke en boeiende boekwerkje ‘A Joy Forever’, samengesteld door Menno Wigman en Rob Schouten. Het puike ‘A Joy Forever’ bezit alles wat het protserige ‘500 gedichten…’ niet heeft. Het is een allercharmantste en goedkope selectie van de mooiste liefdesgedichten uit de wereldliteratuur, een thema dat welhaast iedereen kan aanspreken.

Tegenover het logge en ontransporteerbare van ‘500 gedichten’ staat dit handige, lichte en goed in de hand liggende boekje met hardcover en reproductie van Caspar David Friedrich’s ‘Op het zeilschip’ op de kaft. De originele gedichten in het Russisch, Chinees, Engels, Duits, Spaans, Italiaans, e.a. werden netjes afgedrukt naast de vertalingen zodat ‘A Joy Forever’ een ware schatkamer is voor de polyglot en de liefhebber van vertaalde literatuur.

Het opzet van ‘A Joy Forever’ doorkruist enigszins het opzet van Pfeijffer en de Vries want hier vinden we ook ten dele dezelfde selectie terug van gedichten, die we reeds aantroffen in ‘500 gedichten…’. Ook hier ‘L’Invitation au Voyage’ van Charles Baudelaire, ‘An Anna Blume’ van Kurt Schwitters. Ook hier een Sappho, vertaald door Paul Claes. Ook hier een Herman Gorter. Daarnaast echter bevat de bloemlezing als meerwaarde de originele versies van de gedichten en ja, hier wel degelijk ook gedichten uit de Arabische liefdescanon van Ibn Al-Hadjdjadj en Madjnun vertaald door Hafid Bouazza en zelfs uit de Chinese liefdesliteratuur, nl. van de dichters Du Fu en Li Duan. Voor de overzichtelijkheid werd het boekje opgedeeld in 3 hoofdstukken, nl. ‘Verlangen’, ‘Vervulling’, ‘Verlaten’. Uit het tweede deel komt dit verrassend fragment van de Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade:

De kuisheid waarmee zij de dijen spreidde
En mij op haar wilde flora zicht bood.
En hoe, mak als de schapen uit de weide,
Zij, nauw als ze was, zich opensloot.

O, neuken, neuken, dood van zo veel leven!
Graf in het groene gras, dood onvolprezen.
In mijn vochtig, vlammend, vluchtig beven
Was ik niemand, was ik duizend wezens

(fragment uit: ‘De kuisheid waarmee zij de dijen spreidde’, vertaling van ‘A castidade com que avria as coxas’ van Carlos Drummond de Andrade door August Willemsen, pag. 202)


'De canon van de Europese poëzie. 500 gedichten die iederen gelezen moet hebben.' Samenstelling Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries, Meulenhoff 2008, ISBN 978 90 290 8185 6.

‘De mooiste liefdesgedichten uit de wereldliteratuur.’ Verzameld en ingeleid door Menno Wigman en Rob Schouten, Prometheus 2008, ISBN 978 90 446 1205 9.

artikel verschenen op http://www.medium4you.be/De-canon-is-de-canon-niet,9478.html

Titels en Traktaten

Over nieuwe dichtbundels van Lies Van Gasse, Maarten van den Berg en Hanz Mirck

Ik heb iets met titels ! ‘Hetzelfde gedicht telkens weer’ is de titel van de debuutbundel van de jonge Sint-Niklase dichteres Lies Van Gasse. Automatisch zul je de gedichten in de bundel afwegen tegen deze overigens ondubbelzinnig programmatische titel. Schrijft deze jonge vrouw in haar drang naar perfectie inderdaad telkens hetzelfde gedicht ? De gedichten in ‘Traktaatjes’ van Maarten van den Berg krijgen door de verkleinvorm in de titel een zekere ambigue poëticaliteit toebemeten. De titel van de nieuwe, erg geslaagde bundel van Hanz Mirck is complexer en eigent zich een stuk realiteit toe dat buiten de dichtbundel ligt. In het laatste erg bevreemdende gedicht wordt een man overreden door een vrachtwagen met het discrete opschrift ‘Archiefvernietiging’

KANTIAANSE SNIPPERS

In het titelgedicht van de nieuwe bundel van de jonge, Hollandse dichter Hanz Mirck gebeurt iets zeer merkwaardigs. De ‘je’-persoon in het gedicht is getuige van een bizar ongeluk op de autosnelweg. Een man met pech stapt uit zijn wagen en wordt aangereden door een vrachtwagen, waarna hij nog eens overreden wordt door verschillende auto’s. Na elke klap kruist zijn vragende blik die van zijn vrouw, die aan de overkant toekijkt. Ondanks het schrijnende voorval en de schijnbare dynamiek van het hele gebeuren, is het een vrij statisch en tergend traag gedicht. Als in een slow motion film focust alles zich op het oogcontact tussen de stervende man en de hulpeloze vrouw. Andere geluiden en bewegingen worden als in een filmscène van David Lynch weggezogen naar de achtergrond. Het verhaal verloopt van de man en de vrouw naar de ‘jij’-persoon en de vrachtwagen met het opschrift ‘archiefvernietiging’ in een filmisch procedé dat Mirck doorheen de bundel meermaals bezigt.

met dat stil opschrift haast uit het zicht
Misschien hoe je bij dit ongeluk dacht
aan geluk

(uit : ‘Archiefvernietiging’)


Misschien is het allemaal niet zo letterlijk bedoeld. Of hij nu echt getuige was van een ongeluk of niet, doet weinig ter zake. De merkwaardige driehoeksverhouding van man, vrouw en het contradictorische ‘geluk-bij-een-ongeluk’ gevoel van de toekijkende ’jij’-persoon maken het gedicht spannend. Het kijken naar kijken naar kijken ook… Mirck gebruikt een niet erg strenge sonnetvorm voor zijn gedichten. Van het sonnet behoudt hij de twee kwatrijnen en de twee terzinen en de volta in de allerlaatste strofe. De vorm van het sonnet past als gegoten bij bovenstaand titelgedicht. Elders vormt het hier en daar wel een belemmering. Ik lees te veel gedichten in ‘Archiefvernietiging’ waarin de pointe niet voldoende tot zijn recht komt en het sonnet verzandt in stroop. ‘Het donker’ is in dat opzicht één van de meest geslaagde gedichten van de bundel. Mirck roept hier een onzichtbare hand op, die ’s nacht de dingen in ons hoofd ontregelt. In feilloze bewoordingen schetst hij hier een onthutsend mysterieuze wereld.

Maar het is geen hand
en het is niet willekeurig
Het is een systeem

veel eenvoudiger
dan wij kunnen begrijpen
Feilloos

(uit : ‘Het donker’)

Vrachtwagens met het opschrift ‘archiefvernietiging’ zie je meestal geparkeerd staan aan banken, verzekeringsinstellingen en aan openbare gebouwen. Ze hebben als taak om vertrouwelijke documenten op te halen en om die door de papierversnipperaar te halen. Gewichtige dossiers worden vernietigd en versneden tot luchtige en veelkleurige onleesbare linten papier. Mirck koos de titel niet toevallig. In zijn gedichten haalt hij meermaals de realiteit door de mangel. Ook hier gebeurt een soort ‘archiefvernietiging’, maar dan in omgekeerde richting. Door een gedachte of een herinnering op papier te zetten of in een gedicht te gieten, vernietig je meteen je archief, i.c. de achterliggende gedachte of de herinnering. Dat Kantiaanse perspectief wordt bijna letterlijk vertolkt door de moeder in het schitterende gedicht ‘Zuivere rede’.

Ik kijk alleen maar even, hoor
Hebt u ook kant ? Kant. Nee, kant ! KANT !
Wacht, ik ga mijn man halen. Mijn man !
Ik ga mijn man halen ! U begrijpt mij niet

(uit : ’Zuivere rede’)

TAXIRITJES

Van de Hollandse dichter Maarten van den Berg had ik nog nooit gehoord. Volgens de achterflap van zijn debuutbundel is hij overdag dichter, schilder en beeldhouwer. ’s Nacht is hij taxichauffeur. Ik veronderstel dat ‘Traktaatjes’ zijn debuutbundel is. Ik vond nergens iets over van den Berg terug. De online Winkler Prins encyclopedie zegt dat een ‘traktaat’ een verhandeling betreffende een theologisch of een filosofisch onderwerp is. Het woord kan echter ook een verjaardags- of een nieuwjaarstraktaat betekenen of in dit geval een traktaat voor de lezers. Van den Berg noemt het zelf een ‘aanbod van bepaalde woordvolgorde s in [kort] gesteven verband ;’. De traktaatjes van Maarten van den Berg zijn kortere of langere gedichten in losse versvorm, alledaagse bespiegelingen over niet-alledaagse gebeurtenissen. De flap van de dichtbundel is een rode lijn op een sober wit vlak. Het inleidende gedicht heet ‘smetkoord’. Een smetkoord is een meetinstrument dat men gebruikt voor het aftekenen van lijnen. Een dichter bakent hier zijn wereld af.

zijn hand schiet vooruit, maakt rare krullen,
het scherpe poeder verdeelt de vlakgewreven grond.

‘lees de haren op mijn arm, ze fluisteren van kou,
ze weten waar mijn aanwezigheid,
door wortels aangevoerd, vrij spel gekregen heeft.’

(uit : ‘smetkoord’)


De gedichten van van den Berg zijn niet altijd vormvast. Relatief goede gedichten worden afgewisseld door miskleunen (‘twee aapjes’, ‘tredmolen’) In ‘staalgezicht’ en ‘zondedag’ worden de beloftevolle titels niet omgezet in goede poëzie. De fragmentarische gedichten ‘de handelsreiziger/e.v.a.’ , ‘de zwarte kilometer’ of ‘gemene deler’ drijven te veel op een idee : een taxichauffeur luistert naar de verhalen van passagiers en doet er dan iets poëticaals mee. In ‘de handelsreiziger/e.v.a’ gaat het bijvoorbeeld over een handelsreiziger, die van den Berg naar zijn favoriete call girl Eva voert. Elders wisselen jeugdherinneringen en reflecties over zijn werk als schilder en beeldhouwer elkaar af. ‘paarlen’ is één van de betere gedichten van de dichtbundel. Het is een lekker mooi en mysterieus gedicht.

zacht en plooibaar parelglas

gleed kopje-onder
in nat zand

ik greep
en heb het dood getrokken

dronken
hield ik de stukken in mijn hand

de scherven liggen in het raam
en schitteren

(uit : ‘paarlen’)

KOPJES THEE

De jonge Sint-Niklase dichteres Lies Van Gasse vond haar stek bij de Amsterdamse uitgeverij Wereldbibliotheek. Dat is een zeer goede zaak. Een debuut is een riskante onderneming. Het kan je maken of het kan je breken. Bij Wereldbibliotheek zit je op dat vlak goed. De poëtische productie is kwalitatief hoogstaand en steevast erg mooi uitgegeven met veel inspraak voor de beginnende auteur. Van Gasse ontwierp zelf de omslagillustratie en de schetsen binnenin. Ze koos ook de titel ‘Hetzelfde gedicht steeds weer’. Een titel waar ik – eerlijk is eerlijk – in eerste instantie een beetje van schrok en waar ik wat bedenkingen bij had, wegens het al te programmatische dat erin vervat lag. Tot ik de titel echter kon plaatsen in het laatste gedicht van de bundel uit de cyclus ‘Verdrinken tussen kopjes thee’. Daar komt de regel terug, dit keer met komma.

Ze viel als een hond in slaap tussen de boeken.
Schreef hetzelfde gedicht, steeds weer.

(uit : ‘Verdrinken tussen kopjes thee’)

Alles ademt perfectie en muziek in de debuutbundel van Van Gasse. Een cyclus heet ‘A day without piano’. In de aantekeningen vinden we verwijzingen naar Django Reinhardt, Sonny Rollins en Don Rayes… Een inleidend gedicht en 11 cycli vormen de hoofdmoot van de bundel. Elke cyclus wordt ingeleid door een citaat : van de zangeres Nina Simone, Hadewijch, de Japanse schrijver Sei Shonagon of een zelfcitaat. Het cyclische van de bundel wordt onderlijnd door het feit dat de allerlaatste regel ‘verdrinken tussen kopjes thee’ uit het inleidende gedicht ‘De linkse is de droefste’ terugkeert als titel van de allerlaatste cyclus. Er gebeurt niet veel in de wereld van Van Gasse. Ze praat met zichzelf of met een onbepaalde ‘jij’-persoon. Dat zijn de enige twee personages in de bundel. Meestal gebeurt er wel ‘iets’ in haar gedichten, maar het wordt allemaal zo omfloerst en mysterieus weergegeven, dat je er het raden naar hebt wat er precies aan de hand is. Maar dat vormt precies de immense poëtische kracht van de bundel.

Ergens vechten wolken
om de beste plaats.
Keien spatten lallend op,
de dag beweegt zich traag.

Er is iets geland.

(uit : ‘Het kleine, blauwe huis’)


Schrijft Lies Van Gasse hetzelfde gedicht steeds weer, zoals ze in de titel suggereert ? Het antwoord is ‘neen’. Ik vind genoeg variatie in de bundel om van een verantwoord en geslaagd debuut te mogen spreken. Wel moet ik de lezer hierbij meteen waarschuwen : dit is niet van deze tijd ! Lies Van Gasse is een anachronisme. Opmerkzaamheid is geboden. In een erg luide wereld beschrijft ze een stille, schimachtige wereld waarin weinig gebeurt en waarin niet veel beweegt. Haar uitgestrakte, poëtische stukjes zijn als bonsaiboompjes of miniaturen, waaruit al het overtollige weggehaald werd. Toch betrap ik er me op dat ik telkens weer teruggrijp naar de bundel om de gedichten opnieuw te lezen. Ik vind dat een zeer groot compliment ! Er zijn weinig dichtbundels die dit met me doen. Lies Van Gasse verdient een plaats in het pantheon van onze beste Nederlandstalige dichteressen. ‘Hetzelfde gedicht steeds weer’ is een mooi debuut en één van de merkwaardigste dichtbundels van dit jaar. Een mooie afsluiter van een poëtisch 2008.

Is zij ergens gemaakt,
dan wel voor dit :
De hunkering naar tekst,
de rammelende ribbenkast van taal.

(uit : ‘Verdrinken tussen kopjes thee’)


Hanz Mirck, ’Archiefvernietiging’, Prometheus Amsterdam 2009, ISBN : 978 90 446 1263 9.

Maarten van den Berg, ’Traktaatjes’, Prometheus Amsterdam 2008, ISBN 978 90 446 1211 0.

Lies Van Gasse, ’Hetzelfde gedicht steeds weer’, Wereldbibliotheek Amsterdam 2008, ISBN 978 90 284 2273 5.

artikel te lezen op http://www.medium4you.be/Titels-en-Traktaten.html en op http://www.urbanmag.be/artikel/1455/geen-archiefvernietiging-van-traktaten-over-telkens-dezelfde-gedichten

Sunday, December 07, 2008

Het hellende paadje van Maeterlinck

Over de oorlogscanon van Geert Buelens

Op 11 november trekken duizenden mensen naar de lijkenvelden van de Westhoek. De hoeveelheid achterneven, achternichten, verre nazaten en familieleden, die naar de oorlogskerkhoven van Ieper en omstreken komen afzakken om een laatste groet te brengen aan hun in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde bloedverwant, stemt tot nadenken. De Eerste Wereldoorlog sterft niet. Na 90 jaar blijft de nalatenschap bestaan. Dat komt ten dele omdat de oorlog zo tastbaar en zichtbaar is in het landschap van de Westhoek. De Eerste Wereldoorlog liet ook een berg papier achter. In de jaren voor, tijdens en na de oorlog waande ieder zich plots schrijver. Geert Buelens bracht met twee fenomenale naslagwerken orde in de onoverzichtelijke stapels gedichten uit de Eerste Wereldoorlog.

'Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog.' Samengesteld en ingeleid door Geert Buelens, Ambo/Manteau 2008, ISBN 978 90 223 2289 5.

Geert Buelens, 'Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog.' Ambo Manteau 2008, ISBN 978 90 223 2290 1.

artikel te lezen op http://www.medium4you.be/Het-hellende-paadje-van.html en binnenkort op www.urbanmag.be

Friday, December 05, 2008

Al Galidi for president!

De Irakees Rodaan Al Galidi streek een tiental jaar geleden neer in Nederland. Dat was in de tijd dat een mens zonder papieren nog aangeschoten wild was voor de Nederlandse regering. Al Galidi bekwaamde zich van opvangcentrum naar opvangcentrum in het Nederlands en begon boeken te schrijven, zowel romans als dichtbundels. De mix van gortdroge humor, kritische observatie en Iraakse verteltrant maakte van hem een ware succesauteur. Hij weigerde echter het 'generaal pardon' van de Nederlandse regering en trok naar België. In zijn vorige dichtbundel 'De herfst van Zorro' lag de wrange maatschappijkritiek er nog vuistdik op. Zijn nieuwe dichtbundel 'De laatste slaaf' is een stuk complexer. De ironie kruipt hier onder de huid van de taal. Al Galidi leert met 'De laatste slaaf' de Hollanders opnieuw lezen.

'De laatste slaaf. Biografie van een terugkeer.' van Rodaan Al Galidi, Meulenhoff/Manteau 2008, ISBN 978 90 8542 166 5.

artikel te lezen op http://www.urbanmag.be/artikel/1452/al-galidi-for-president en op http://www.medium4you.be/Al-Galidi-for-president.html

Sunday, November 30, 2008

PMVATC (*)

try to tell

the liars
that lies

are instutionalized
in this moneytized society

they will drive you
off the pedestrian crossing
in their expensive SUVs

and then start swearing
behind tinted windows
saying it’s your fault
you should never have dared
to cross this street

on foot

(30.11.2008)


(*) Paper Money Violates All Ten Commandments

Sunday, November 16, 2008

Habeas Corpus - Le Botanique Bruxelles


Le monde contemporain ramène chacun à une multitude de réflexions qui prolonge la loi historique de l’Habeas Corpus en tant que protection du corps contre l’autorité. Or, depuis, les autorités, les manifestations de l’autorité, ont changé, ont revêtu d’autres aspects. Le contrôle et la vision du corps humain changent selon les époques avec, toujours, au centre, la question de sa manipulation, de sa défense. Le corps comme objet et enjeu humain, social et politique, mais aussi, aujourd’hui, le corps organique, génétique, le corps dans l’environnement, plongé dans l’accélération du monde et dans la transformation de la nature.

Habeas Corpus

Nathalie Amand / Otto Ganz - Stephan Balleux / Nicolas Ancion - Ulrike Bolenz / François Delvoye - Dany Danino / Laurent Courtens - Laurence Dervaux / Peter Wullen - Jacques Dujardin / Rony De Maeseneer - Patrick Guaffi / Colette Nys-Mazure - Morgane Le Guillan / Jacky Legge - Mireille Liénard / Jean-Pierre Denefve - Jean-Claude Saudoyez / Françoise Lison-Leroy

Réunis pour cette édition, dix plasticiens et dix écrivains ont décliné Habeas Corpus à leur manière. Les organisateurs ont choisi Bruno Lestarquit pour une trace photographique personnelle de l’installation des œuvres dans les espaces du Botanique. Christian Printz a mis en pages les prises de vue et les textes pour garder en mémoire ces approches contemporaines à quatre mains de l’Habeas Corpus.


Collaboration : Galerie Koma Mons, SMArt, Léon Eeckman Fine Arts Insurance, Service des Arts plastique du Ministère de la Culture.

"Habeas Corpus", Ed. Maison de la Culture de Tournai, LaGalerie.be, Centre Culturel Le Botanique Bruxelles, Bruxelles 2008, DL 2002/4102/2.

Tuesday, November 11, 2008

1917

they say you have to be at least 110 to have lived the great war it is not true i know it is not true i have been there i carry the war within me all the time big disease inherited from my stepgrandfather chalked truce in my lungs encapsulated bacillus that can be traced back to the trenches at pervyze i will die with it

crooked finger
bullet hole
in soldier's cap

we are the true survivors singing heroic songs about the front his name was angel

(11.11.2008)

Sunday, November 09, 2008

Sean O'Hagan talks to Scott Walker - Guardian Sunday November 9 2008

(American singer-songwriter Scott Walker. Photograph: Paul Cox)

In the sixties, he was part of the celebrated pop group the Walker Brothers - known as America's Beatles - but he rebelled against stardom and fled to a monastery before going solo. Since then, 'pop's own Salinger' has retreated ever further from the mainstream with each album. Now, as Jarvis Cocker, Damon Albarn and others line up to perform his work in a series of concerts, he tells Sean O'Hagan, in a rare interview, why he's happy to be a loner.

"Drifting and Tilting" : the Songs of Scott Walker is at the Barbican, London EC2 from Friday November 14 to Sunday November 16. Featuring Damon Albarn, Dot Allison, Jarvis Cocker, Gavin Friday, Michael Henry & Nigel Richards.

http://www.guardian.co.uk/music/2008/nov/09/scott-walker-interview

http://www.andwhoshallgo.com/

http://www.the-drift.net/

Thursday, November 06, 2008

Scott Walker als miskend dichter


"I've become the Orson Welles of the record industry. People want to take me to lunch, but nobody wants to finance the picture...I keep hoping that when I make a record, I'll be asked to make another one. I keep hoping that if I can make a series of three records, then I can progress and do different things each time. But when I have to get it up once every 10 years... it's a tough way to work." — Scott Walker in an interview for The Independent, April 1995.

Wie zich ooit een miskend dichter durft te voelen, moet maar eens naar de drie meest recente, indrukwekkende albums van Scott Walker luisteren. Ik luister er trouwens al enkele weken zonder ophouden naar en ik kan er maar niet genoeg van krijgen. 'Climate of Hunter' uit 1984, 'Tilt' uit 1995 en 'The Drift' uit 2006 zijn stuk voor stuk geniale meesterwerken. Oh, en ik vergeet de soundtrack van de magische Franse film 'Pola X' van Léos Carax uit 1996... Muzikale en poëtische bravourestukjes zijn het, waar overigens geen kat naar om keek of naar luisterde ten tijde van het verschijnen en nu nog steeds niet. Ik herinner me de paniekreacties en de bleke gezichten van de bonzen van de platenmaatschappij toen ze alleen op kracht van de naam Scott Walker 'Climate of Hunter' op de wereld loslieten. Het moet zowat hun slechtst verkopende plaat ooit zijn geweest! Het was zo in 1984 en het is zo bijna vijfentwintig jaar later. Scott Walker is natuurlijk een levende legende en een artiest die ons allen ontsnapt. Mijn ervaring is dat de hoofden zich al snel draaien als je een recente plaat van Walker durft op te zetten. The Walker Brothers? Ok! De Brel-interpretaties van Walker? Geen probleem! Maar what the hell is this? De snelle tempowisselingen binnen één nummer, de zachte maar psychotische stem van de meester en de schrille, grillige teksten stellen het geduld van de ongetrainde luisteraar al gauw op de proef. Dit is inderdaad een man die alles had en alles weer verloor: jeugd, schoonheid, stem en extreme populariteit... Maar op latere leeftijd had hij de moed om zijn succes binnenstebuiten te keren. Luisteren naar 'The Drift' is als kijken naar een omgekeerd konijnenvel van een net gevild konijn. De ommezijde van bont. De songs van Walker zijn kleverig en bloederig en zitten vol met blootgelegde aderen. Zijn verhalen gaan over cowboys die in opperste verdwazing en eenzaamheid door de woestijn zwerven of over Elvis die in de ultieme eenzaamheid van de roem praat met zijn overleden tweelingbroer. Zijn nummers stuiteren als gebarsten knikkers en zitten vol bizarre wendingen, zoals het 'ps ps ps ps' in 'A Lover Loves'. De zogenaamde moeilijkheidsgraad van zijn albums is nochtans een fictie, die gecreëerd werd door lieden, die alleen maar luisteren naar Robbie Williams. De albums liggen niet goed in het gehoor, omdat ze doelbewust geen gebruik meer maken van het popidioom waar Walker in opgroeide. Ik vergelijk spitsbroeder Scott Walker graag met die andere Franse chansonnier Alain Bashung, die met 'Fantaisie Militaire' en 'L'Imprudence' twee van de beste albums uit de Franse muziekgeschiedenis maakte: pakkende teksten, originele instrumentatie en een zekere zin voor experiment. In Frankrijk loont dat echter wel. De twee albums van Bashung werden bedolven onder de prijzen en verkochten bovendien ook nog eens heel goed. Een bewijs dat de Fransen zin hebben voor poëzie in een muzikale verpakking. Ik moet dat echter nog zien gebeuren met 'Climate of Hunter', 'Tilt' en 'The Drift'. Het zijn albums die door de mazen van het net van de tijd glijden. Ze zitten nochtans vol met pikante en grappige details. Walker heeft gevoel voor humor, maar de humor zit meestal verpakt in bittere ernst. Het album 'The Drift', dat vorig jaar uitkwam, drijft zelfs op een geniale simpelheid en maakt gretig gebruik van doodgewone muzikale arrangementen (zie 'Buzzers': - het tikken van een vork op glas -) , maar het wordt er heus niet minder complex door. De poëtische kracht neemt er alleen maar door toe. Het muzikale universum van Scott Walker is uniek. Hij maakte de drie beste muziekalbums van de laatste vijftig jaar. Waar geen vlooi naar luisterde. Geen nood echter! Ooit zal hij geroemd worden om zijn kwaliteiten en erkend worden als een groot poëtisch en muzikaal genie, niet omwille van zijn popverleden, maar op basis van zijn latere, rijpere werk.... Misschien moet je daarvoor wel heel erg oud worden of zelfs heel erg dood?


Wednesday, November 05, 2008

Van de nar die de macht greep

"Ik vrees de wil tot macht
omdat die vrees ik zonder wil
tot macht niet beheersbaar is.

O ja, ik denk te begrijpen
waarom de mens tegen zijn denken
in denkt te moeten geloven.

Want wie wil er horen
te zijn geboren voor niets
dan te zijn geboren?

Liever snijdt men
een ander de keel af dan
dat men zich de eigen oren wast."

(uit: "Gods eclips", gedicht uit de bundel 'Eigenlijk heb je alles al', Huub Beurskens, Meulenhoff 2008.)


"de nar die werken wilde en wilde spelen
greep voor houvast naar de macht, om de macht

te kunnen grijpen strekte hij zijn armen uit
en was gevallen - als in zijn vlucht een nar
de armen strekt vallen zijn vleugels stil -

als de macht hem niet vanaf de noktrapeze
bij de polsen had gegrepen en niet losliet"

(uit: "van de nar die dacht dat hij een clown was", gedicht uit de bundel 'zuurstofschuld', Hans Groenewegen, Wereldbibliotheek 2008)

Monday, November 03, 2008

Landschap in de man

We zijn stilaan afgedwaald naar het tijdperk van de risicoloze poëzie. Wat te doen met deze Tritsmans? Zijn poëzie is zo conventioneel en zo afgemeten braaf. Op de Boekenbeurs mag hij aanzitten naast Hertmans en Nolens. Het risicoloze publiek, dat het jaarlijkse boekenevenement bezoekt, zal hij zeker aanspreken. Op dat vlak betreedt uitgeverij Nieuw Amsterdam platgetreden paden. Tritsmans vertegenwoordigt een reactionaire stroming binnen de nederlandstalige poëzie: de brave huisvader en gemeenteambtenaar die poëzie schrijft voor alleman.

Over 'Man in het landschap' van Marc Tritsmans.

Marc Tritsmans, ‘Man in het landschap’, Nieuw Amsterdam, 2008, ISBN 978 90 468 0498 8.

binnenkort op www.urbanmag.be en www.medium4you.be

The heart of islam

what is the heart
of islam

it is an almond shaped
cake with pika nuts
and apples

bought
in boulangerie
kifin in the heart

of molenbeek

(03.11.2008)

Sunday, November 02, 2008

Huub Beurskens zingt William Carlos Williams

Vorig jaar al publiceerde Meulenhoff de uitstekende tweetalige bloemlezing ‘Even dit’, met een selectie van gedichten van de Amerikaanse dichter William Carlos Williams, hertaald door de Nederlandse dichter Huub Beurskens. In zijn nawoord had hij het even over de ontstaansgeschiedenis van Williams' gedicht ‘The Parable of the Blind’, dat geïnspireerd was op het gelijknamige schilderij van Breughel. De bevindingen van Beurskens werden nadien nog eens in dichtvorm gegoten en vonden hun neerslag in het mooie gedicht ‘Schilderkunst en poëzie’ uit de cyclus ‘Vermist’ van zijn nieuwe dichtbundel ‘Eigenlijk heb je alles al’. De bundel bevat oorspronkelijke gedichten, een Trakl-cyclus, een groot aantal hertalingen van andere dichters en ten slotte de kleine, fraaie cyclus ‘Het Vlot’.

William Carlos Williams, ‘Even dit’, keuze, vertaling en nawoord Huub Beurskens, Meulenhoff, 2008, ISBN 90 290 7459 0.

Huub Beurskens, ‘Eigenlijk heb je alles al’, Meulenhoff, 2008, ISBN 978 90 290 8255 6.

binnenkort te lezen op http://www.urbanmag.be/artikel/1434/huub-beurskens-zingt-william-carlos-williams en http://www.medium4you.be/Huub-Beurskens-zingt-William.html