Friday, July 30, 2010

De kroonjuwelen van Amerika – Over ‘Does It Look Like I’m Here?’ van Emeralds

Met zeer veel zin voor veralgemening zou je kunnen stellen dat er ongeveer om de tien jaar een Amerikaanse experimentele band opstaat die er echt toe doet. Tijdens de noughties was dat Animal Collective. Hun mix van aanstekelijke americana, weirde folk en epische songs raakte via een reeks op hun eigen label en op undergroundlabels gereleasde albums bekend bij een ruim publiek. Op 'Strawberry Jam' en 'Merriweather Post Pavillion' - allebei op Domino - behielden ze hun eigen experimentele smoelwerk. Het trio Emeralds uit het afgelegen Cleveland Ohio lijkt in 2010 net hetzelfde lot beschoren. Na twee semi-officiële albums op Hanson en op hun eigen Wagon and Gneiss Things lijkt de tijd nu rijp voor een doorbraak naar een breder publiek. 'Does It Look Like I'm Here?' op het fantastische Oostenrijkse Mego Editions laat er geen twijfel over bestaan. Dit is 50 jaar Amerikaans psychedelisch experiment op één schijfje geperst. Een interview met Emerald Steve Hauschildt.

PW: 'Does it look like I'm here?' klinkt zowel klassiek als modern. Het ademt experiment maar is tegelijk ook op een menselijke manier toegankelijk. Waar halen jullie die fantastische, epische sound?

Steve Hauschildt: Wel, we spelen al vijf jaar samen. Onze sound is de fusie van onze collectieve muzikale kennis en van onze levenservaring. We werkten hard om het geluid te krijgen dat je nu hoort. Het is niet iets dat je makkelijk opspoort of ontcijfert. De instrumenten die we gebruiken, werden daarvoor zorgvuldig en doelgericht uitgekozen. Onze nummers nodigen met opzet uit tot meerdere luisterbeurten. Sommige stukken of geluiden openbaren zich pas na verloop van tijd.

PW:Het verloop van jullie muzikale loopbaan lijkt wat op dat van het grootse Animal Collective. Niet zozeer muzikaal maar vooral door de wijze waarop jullie via een pak releases op kleine labels naar de oppervlakte dreven. Is dat de manier waarop het in Amerika tegenwoordig werkt voor bands?

Steve Hauschildt: Animal Collective kreeg weinig aandacht tot de media hen opmerkte. Nadat ze al vier albums uitgebracht hadden, hadden ze maar een beperkte mate van succes. In het vroegste embryonale stadium van Emeralds was onze output groter. Ik denk dat het Wolf Eyes paradigma van 'proliferatie' wel kan werken voor sommige artiesten maar het garandeert absoluut niks – simpel gesteld, het is van cruciaal belang dat je zoveel mogelijk tijd en energie steekt in iets waarvan je positieve resultaten verwacht.

PW: Jullie zien het dus groots. 'Candy Shoppe' klinkt zo zo zo Kraftwerk ... Als Amerikaanse band hebben jullie een bijna Europese sound. Het kan nauwelijks toeval zijn dat je in contact kwam met het Weense muzieklabel Editions Mego?

Steve Hauschildt: We luisterden en absorbeerden de wonderlijke platen van Kraftwerk en van gelijkaardige Duitse elektronica-artiesten, maar dat is niet de enige reden waarom we de kans kregen om een album op te nemen voor Editions Mego. We luisteren in onze vrije tijd naar een breed muziekgamma. Succes in Europa en elders leek ons zeker geen onzinnig idee. We volgen Mego al jaren maar het was pas toen we labelbaas Mr. Pita Rehberg vorige zomer in persoon ontmoetten in New York City dat we het idee opperden om een album op te nemen voor Editions Mego.

PW: Ik hoor 'Tranzition' van Richard Pinhas. Maar ook Kraftwerk, Pierre Henry, Jean-Michel Jarre, 'Music for airports' van Brian Eno of zelfs even Durutti Column. Waarom maken een drietal Amerikaanse twintigers muziek die refereert naar muziek die dertig of zelfs veertig jaar geleden in Europa gemaakt werd?

Steve Hauschildt: 'Tranzition' hoorde ik nog niet, maar 'Rhizosphere' heb ik op vinyl en ik vind hem heel goed. Een aantal jaren geleden luisterden we heel veel naar Heldon (de eerste progrock band van de Franse muzikant-filosoof Richard Pinhas, pw). 'Allez Teia' is mijn favoriete Heldon-album. Pinhas is sterk beïnvloed door Robert Fripp – en onze muziek wordt dikwijls vergeleken met 'No pussyfooting' van Brian Eno en ... Robert Fripp. De muziek die we maken, vult een gat in de hedendaagse elektronische muziek. Een bepaalde manier om met albums om te springen, is door de tijd verloren geraakt. Die ethos willen we herstellen. Maar we worden evenzeer beïnvloed door soul en R&B, en door obscure pop en electronica-albums. Mijn helden zijn allemaal studioperfectionisten.

PW: Welke instrumenten gebruik je? En nam je het album digitaal op of analoog?

Steve Hauschildt: Op dit ogenblik is mijn belangrijkste instrument een Prophet 08 van Dave Smith Instruments, een analoge synthesizer. Ik heb hem natuurlijk grondig onder handen genomen met effecten, filters, mixers en dergelijke ... Het album werd digitaal opgenomen op een computer met goedkope multi-tracking software. James Plotkin (Amerikaanse gitarist en producer, pw) deed de eindafwerking van het album. Hij deed een prachtjob! Hij maakte de verschillende frequenties hoorbaar. Het is zijn verdienste dat de vinylplaat perfect gesneden werd.

PW: Jullie zijn blijkbaar erg gek op oude geluidsdragers zoals cassettes en vinyl. Jullie nieuwe album komt tevens uit in een prachtige openklapbare hoes met een dubbele vinylplaat erin. Dat is bijna niet meer van deze tijd.

Steve Hauschildt: Die geluidsdragers zijn heel tastbaar. Het zijn begerenswaardige kunstobjecten die een medium vormen voor onze artiestieke expressie. Ik zie geen enkele reden waarom je je in het alomtegenwoordige informatietijdperk zou moeten beperken tot één enkel formaat. Die oudere formaten maken het voor ons tevens mogelijk om onze muziek zelf uit te brengen waardoor we op onze beurt verder kunnen werken aan nieuwe ideëen en onze muziek in de hele wereld kunnen verspreiden.

PW: Nemen jullie eerst een stuk muziek op en kiezen jullie dan een titel of starten jullie met een titel en werken jullie dan een nummer uit vertrekkend van dat basisidee?

Steve Hauschildt: Gewoonlijk nemen we een track op en dan spelen we met titels en ideëen tot we iets zinvols vinden. Dat is een democratisch proces. Met drie in een band is dat soms een keuze van 2 tegen 1. Meestal komen we echter tot een unanieme beslissing.

PW: De hoes past perfect bij de titel van het album. Ze straalt een zekere desolaatheid uit. Alsof er iemand net een kamer verliet met de tv nog aan...

Steve Hauschildt: Voor de hoes maakten we een lichtinstallatie in onze living. Onze buurman Jen Gomez nam de foto. Ik vind dat de openklapbare hoes met een foto van ons achtergelaten instrumentarium misschien nog beter past bij de titel. Ik denk dat het te maken heeft met het terugbrengen van 'het persoonlijke' in de muziek – daarmee bedoel ik, we zijn artiesten die onze huidige toestand of conditie gesublimeerd nabootsen. Wat de luistenaar hoort, is een uitbreiding van wie we zijn als mensen.

PW: Jullie zijn afkomstig uit het geïsoleerde Cleveland Ohio. Buiten Pere Ubu (experimentele muziekgroep uit de jaren zeventig) is dat niet echt een regio die bekend staat om zijn boeiende bands. Misschien ben ik fout: bestaat er toch een actieve en dynamische muziekscène in dat deel van Amerika?

Steve Hauschildt: 'Daar is niks' is een passende omschrijving, maar in de kunstwereld bestaat er niet zoiets als 'perfecte isolatie'. Pere Ubu zijn van Cleveland maar hun muzikale benaderingswijze is wel radicaal verschillend. Ik zou niet beweren dat er een actieve en dynamische muziekscène bestaat in Cleveland, maar er bestaat wel een experimentele underground in de Midwest met een aantal mensen die gelijke paden bewandelen.

PW: 'Does it look like I'm here' is een bijna volledig instrumentaal album. Ik meende vocals of een vocoder te horen op sommige nummers, bijvoorbeeld op het einde van het 12 minuten durende 'Genetics'.

Steve Hauschildt: Er staan wat goed verborgen vocals op sommige nummers. De enige die ik daarvan bijdroeg, staan op het einde van 'Double helix'. We gebruikten geen vocoders maar onze stemmen werden wel grondig bewerkt. Emeralds begon als een songgerichte band. Tot vandaag blijven we stemmen gebruiken en zelfs zingen. Als het ooit van pas komt, dan brengen we een album uit met vocals en songs.

interview met Steve Hauschildt van Emeralds verscheen op http://www.cuttingedge.be/column/3517-de-kroonjuwelen-van-amerika-over-does-it-look-like-i-m-here-van-emeralds

Over Emeralds en hun band met België, zie: http://www.factmag.com/2010/05/16/emeralds-jewel-purpose/

'Living with yourself' van Emeralds gitarist Mark McGuire komt binnenkort uit op Editions Mego, www.editionsmego.com, cd review binnenkort op www.cuttingedge.be.

Monday, July 26, 2010

Danger Mouse and Sparklehorse - 'Dark Night of the Soul'

Ode aan de doden

We houden van albums waarrond een sterk verhaal hangt. Maar de vloek die over ‘Dark Night of the Soul’ van Danger Mouse & Sparklehorse sluimert, maakt het verhaal intriest en zelfs schokkend. Niet zozeer de kwaliteit van de songs of de all-star cast die Mark Linkous en Brian Burton om zich heen verzamelden maar de omstandigheden waarin ‘Dark night of the soul’ tot stand kwam, maken het tot een cultalbum dat binnen hooguit tien jaar zal aanzien worden als een bijna mythische ‘verloren’ plaat.

Producer Danger Mouse vormt de spil van het duo Gnarls Barkley, dat enkele jaren geleden de onwaarschijnlijke hit ‘Crazy’ scoorde. Mark Linkous was de frontman van het geniale Sparklehorse dat tussen 1995 en 2009 een viertal albums uitbracht. Op 6 maart 2010 pleegde de manisch-depressieve Linkous zelfmoord. Mark Linkous hield van onverwachte combinaties. In 2009 werkt hij samen met de experimentele laptopmuzikant Christian Fennesz. In 2006 duwden zijn vrienden hem toen hij in een depressieve bui verkeerde ‘The grey album’van Danger Mouse onder de neus.

Linkous was onder de indruk. Danger Mouse produceerde enkele tracks van het volgende Sparklehorse-album ‘Dreamt for light years in the belly of a mountain’ uit 2006. De twee verzamelden een twaalftal bevriende artiesten – waarronder filmmaker David Lynch - om zich heen voor een project dat ‘Dark night of the soul’ zou heten. Wat toen gebeurde, kan de boekjes in als één van de grootste flaters die een platenmaatschappij ooit beging. Op het laatste moment werd de release uitgesteld wegens een copyrightprobleem.

‘DNOTS’ werd in eigen beheer uitgebracht als een vijftig pagina’s tellend boek met foto’s van David Lynch en een cd-r waarop fans de via het net gelekte cd konden branden. Twee zelfmoorden later komt het album toch tot ons. Eind 2009 nam Vic Chesnutt een fatale dosis medicijnen in. Hij zingt het macabere ‘Grim Augury’ dat zich muzikaal wringt omheen bizarre lyrics. Enkele maanden na Chesnutt maakte Linkous een eind aan zijn leven. Linkous zelf zingt het dubbelzinnige, autobiografische ‘Daddy’s Gone’.

Het lijstje muzikanten dat meewerkte aan ‘Dark night of the soul’ oogt indrukwekkend: Julian Casablances, James Mercer, de eeuwig jonge Iggy Pop en niet in het minst David Lynch, die zich op twee tracks aan 'zangpartijen' waagt. Het lugubere ‘Dark night of the soul’ sluit met zijn elektronische regengordijnen en manische stem het album op treffende wijze af. Op basis van de kwaliteit van ‘DNOTS’ verdienen enkele EMI-bonzen geen bonus maar een lijfstraf, om het bloedbad dat ze aanrichtten. We zijn normaal gezien niet gul met sterren, maar deze verdient het. Een vijfsterrenplaat!


Danger Mouse and Sparklehorse, 'Dark Night of the Soul', cd review binnenkort op www.cuttingedge.be

Thursday, July 15, 2010

Eén op tien voor Prince

Prince Roger Nelson: de marketingmachine draait de laatste weken weer op volle toeren. Vreemd genoeg schuwt hij daarbij de praktijken niet die hij vroeger bij zijn platenfirma aanklaagde. Prince is zelf inmiddels een afgeborstelde en gewiekste zakenman geworden. Zonder dat we er erg in hadden, werden we met zijn allen bedot...

Je kon er gewoon niet naast kijken. Om de zieltjes alvast warm te maken voor zijn komst naar België, werden op het hippe tv-kanaal 8 stokoude documentaires over de kleine purperen prins geplugd. Vóór zijn optreden in Werchter werden duizenden concerttickets via allerlei mediakanalen ‘gratis’ aangeboden. Ondanks zijn stevige livereputatie liep het die avond zelfs dan nog niet dik van het volk op de wei van Werchter. Kun je je voorstellen hoe het geweest was zonder…?

Het concert zelf was een resem opgewarmde hits. Ouwe kost eigenlijk... Tegelijk werd met veel bombarie ‘de nieuwe cd van Prince’ voor niets aangeboden bij één van de grootste kranten van het land. Voor niets is de prijs van een weekendkrant. Ook daar zijn we ingetrapt! Superlatieven werden bovengehaald voor een minderwaardig product. De achterlijke Vlaamse persmeute stapte vrolijk mee in dit boerenbedrog. Eén muziekjournalist pochte zelfs dat hij 5 uur met de ster doorgebracht had in Paisley Park. Maar wie de cd vol afleggertjes in handen kreeg, moest jammer genoeg vaststellen dat het sop de kool en de stress van het wachten niet waard blijkt te zijn. Hoe laag kun je vallen? Prince vond het allemaal prachtig, verklaarde het internet meteen dood en openbaarde in een Michael Jackson-achtige en openhartige bui dat hij voorgoed naar Frankrijk wilde verhuizen omdat de vrouwen er zo sexy zijn. Dient de hele mediacampagne dus alleen maar om te verbergen dat het helemaal niet goed gaat met Prince? Verbergt Prince iets? Wordt het dure en onrendabele Paisley Park binnenkort opgedoekt?

Bon, dit is geen roddelrubriek... Hier is wat hij te verbergen heeft: op zijn nieuwe en gratis aangeboden cd '20ten' staat volstrekt inspiratieloos, futloos en waardeloos materiaal. Als marketingtruc worden opgefokte demo’s aangeboden als een nieuwe cd. Eigenlijk vinden we het gewoon schandelijk dat zijn fans zo bedrogen en belogen worden. De enigen die hier voordeel en winst uit puren, zijn de kranten die het onding 'gratis' aanboden. Gratis is nooit helemaal gratis. Ze zullen er wel een fortuin voor neergeteld hebben, voor deze zogenaamde primeur. Eigenlijk hadden we het vooraf kunnen weten. Prince heeft ons allemaal liggen gehad. De slimme artiest zal zijn beste nummers niet zomaar prijsgeven. Maar we hebben echt wel problemen met de slechte kwaliteit en de oneerlijkheid van het hele project. Het eindproduct is uiteindelijk cash voor de heer Prince. Waarmee hij naar Frankrijk kan verhuizen. Een cirkel is altijd rond.

En hoe zit het met de nummers op de cd? De riff van ‘Controversy’ wordt op de nieuwe cd gewoon gejat om te dienen voor het mindere ‘Compassion’. De rest van het album wordt opgevuld met lamme funk (‘Beginning endlessly’), barslechte teksten (‘Everybody loves me’, zelfs Mika zou zich hiervoor schamen) en kleffe balads (‘Walk in sand’). Nog zo’n mysterie: waarom nam Prince de cd bijna helemaal in zijn eentje op in de Paisley Park studio’s? Maceo Parker, Greg Boyer en Ray Monteiro zijn de enige namen van medemuzikanten die we ontwaarden. Waar zijn de drive van The Time en van The New Power Generation naartoe? Heeft de purperen geen vrienden meer of kan hij ze niet meer betalen?

Ondanks alle kritiek geven we hem toch een schamele één op tien voor de nieuwe cd. De verrassing van het album is de funky hidden track ‘Laydown’ waar hij weer lekker stomend, sexy en clever als vanouds uit de hoek komt. ‘From the heart of Minnesota, here come the purple yoda, guaranteed to bring you a dirty new sound…’. You bet! Beter hadden we het zelf niet kunnen verwoorden. De rest van de cd stinkt een beetje. Waren de tien nummers echter allemaal zó goed geweest als 'Laydown', dan hadden we hier echt niet geklaagd… Misschien kan hij het nog, als hij tenminste nog wil en niet te veel de slimme zakenmens uithangt.

column op www.cuttingedge.be

Wednesday, July 14, 2010

Autechre - 'Move of ten'

Enkele weken geleden meldde het Finse technoduo Pan Sonic dat ze het na twintig jaar voor bekeken hielden. ‘Pan final’ is hun zwanenzang. Een tegenslag voor de fans van het hardere elektronicagenre. Hun Britse tegenpolen Sean Booth en Rob Brown gaan onder het mom van Autechre ook al bijna twee decennia mee. Stoppen of vertragen zit er bij hen niet in. Autechre gaat in 2010 zelfs in hogere versnelling. Enkele maanden geleden verscheen ‘Oversteps’. Het duo maakte tevens indruk met een twaalf uur durende technoset en hier is de nieuwe ep ‘Move of ten’ met tien nieuwe nummers en afklokkend op 48 minuten. Qua productiviteit kan dat tellen.

Het vorige album ‘Oversteps’ flirtte met melodieën. Zonder een greintje complexiteit prijs te geven, lag de nadruk op de toegankelijke elementen van hun muziek. Je zou 'Oversteps' met wat moeite zelfs kunnen omschrijven als 'intelligent dance music', al klinkt dat voor ons als een belediging in de oren. ‘Move of ten’ is een gedeeltelijke terugkeer naar het rauwere werk. De tien nummers op de ep zijn hoekig, donker en dreigend: ‘Move of ten’ duwt zijn voorganger de vergetelheid in. Dit is geen race tegen de tijd maar een wedloop tegen het einde van de wereld.

'Move of ten’ is trademark Autechre: van het hoesontwerp tot en met de bizarre titels. ‘Etchogon-S’ kicks ass en is een schot in de roos. Diepzeediepe beats vechten een rondje met kletterende, dissonante akkoorden. ‘y7’ is een gewone en gladde beatstomper zoals Autechre er dertien in een dozijn uit hun elektronische doosjes stampt. Maar dan komt het gevaar om de hoek loeren. 'Move of ten' bevat minstens twee nummers waarop Autechre de bakens opnieuw verzet. ‘pce freeze 2.8i’ is het kroonstuk van het album: een bizarre track met sporen van een mechanische stem die ongemerkt verglijdt in het nog vreemdere ‘rew(1)’ met zijn tegendraadse ritmes en pulserende bassen.

Dat de rest van de ep hetzelfde niveau niet haalt, hoor je ons niet zeggen. Een doodgewoon Autechre album verhoudt zich tot de rest van de technomeute als de Mont Blanc tot de Kemmelberg. Op de atmosferische tracks ‘nth Dafuseder.b’ en ‘M62’ overheersen de rechtlijnige beats. ‘M62’ klinkt als Kraftwerk na het innemen van een vreemde drug. ‘Cep puiqMX’ borrelt als heet vulkanisch gesteente om dan onverhoeds af te breken en je in stilte achter te laten. Velen probeerden hen te imiteren. Met elke release bewijzen Booth en Brown dat ze onnavolgbaar zijn. ‘Move of ten’ is een tussendoortje, maar wat voor één… Autechre blijft ons verbazen.

Autechre - 'Move of ten', cd review op www.cuttingedge.be

Willy Roggeman, 'Practicum of het steriele schrijven'

Het bleef lang stil rond de Vlaamse dichter Willy Roggeman (°1934) maar hij publiceert de laatste paar jaar weer regelmatig dicht- en zelfs prozawerk. Met zijn recentste dichtbundel ‘Cadenas’ won hij onlangs de prestigieuze Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Roggeman is de peetvader van het naoorlogse Vlaamse modernisme. Hij is een van de invloedrijkste maar tegelijk minst bekende Vlaamse auteurs. Een groot deel van zijn werk bleef gedurende lange tijd ongepubliceerd. Met ‘Cadenas’ metselde deze keizer van de Vlaamse poëzie naar eigen zeggen de laatste steen van zijn pyramide dicht.

In 2003 verscheen de imposante turf ‘De gedichten 1953-2002’. In totaal twaalf bundels - het resultaat van vijftig jaar literaire arbeid - werden gebundeld in een wit boek. Roggeman schiep een ondoordringbaar literair oeuvre vol referenties naar muziek en andere culturen. De viertalige gedichten wemelen van de verwijzingen naar de jazz en bevatten zelfs partituren. Roggeman is immers een volleerd jazzmuzikant. Sommige critici noemen zijn dichterlijk werk een 'stenen engel'. Maar lees wat er staat en je vindt heel wat in zijn poëzie. De cyclus 'Mythologica - tien lyrische veren op gedeukte hoed' bijvoorbeeld is een ontroerende, gevoelige en geraffineerde gedichtenreeks. In 'De gedichten...' kun je jaren blijven lezen en toch steeds nieuwe dingen ontdekken.

De hernieuwde interesse voor Roggeman is misschien een neveneffect van de dood van de mediatiekere Claus. De kleine Aalsterse uitgeverij Het Balanseer greep volop de kans en gaf in een paar jaar tijd drie nieuwe werken van Roggeman uit. Het autobiografische ‘Betoverende katastrofe’ kwam uit in 2008. ‘Cadenas’, waarmee hij zijn dichterlijk leven afsloot, verscheen een jaar later. Zijn laatste prozaboek ‘Practicum of het steriele schrijven’ verscheen eind vorig jaar. Omdat Roggeman geldt als een moeilijk en stug dichter is een autobiografisch werk dubbel zo interessant. Het kan een nieuw licht werpen op zijn hermetische dichtkunst.

De verzameling losse teksten van ‘Practicum’ is geschreven tussen 1981 en 1986. Roggeman werd in de tijd getroffen door een mysterieuze ziekte, die hem het schrijven onmogelijk maakte. Hij waagde zich aan therapeutisch schrijven om de spieren in zijn rechterhand aan het werk te houden. Schrijven zonder doel tenzij het in de gang houden van bepaalde fysieke processen van het lichaam: hij heeft het over 'steriel schrijven'. Uit de bijna duizend bladen quasi onleesbaar handschrift werden uiteindelijk 321 pagina’s gedistilleerd die grofweg in twee soorten teksten kunnen opgedeeld worden: autobiografische fragmenten over de eigen lichamelijke conditie wisselen af met erudiete stukken over muziek, literatuur en filosofie.

In ‘Practicum’ tast Roggeman de grenzen van zijn eigen schrijven af. Hij onderzoekt de relatie tussen auteur, lezer en tekst. Hij balanceert tussen het literaire en het filosofische. In andere paragrafen denkt hij na over muziek. Roggeman heeft veel gemeen met de Frans-Roemeense schrijver Emile Cioran, die schrijver werd in weerwil van zichzelf. Dat ‘Practicum of het steriele schrijven’ het sluitstuk vormt van het oeuvre van Roggeman, kunnen we nauwelijks geloven. Schrijven – eenmaal het in je bloed zit – laat je nooit meer los. Dichten is bovendien een open proces. Verwacht dus in de komende maanden of jaren nog meer fraais van deze man. Roggeman is het aan zichzelf verplicht. ‘Practicum’ is alvast een uitstekende introductie tot het oeuvre van een van de merkwaardigste Vlaamse dichters.

Willy Roggeman, 'Practicum of het steriele schrijven', recensie op www.cuttingedge.be

Thursday, July 01, 2010

Taylor Deupree - 'Shoals'

Naar ‘Shoals’ van de minimalistische elektronische componist Taylor Deupree kun je op twee manieren luisteren. Vanop een afstand is het de perfecte chill out ambient om in de late uurtjes op te zetten tijdens het opruimen na een wild zomerfeestje. Prikkelend maar niet opdringerig. Open de deuren naar de tuin of het balkon en laat de frisse nachtbries binnenwaaien terwijl omgevingsgeluiden zich vermengen met de ultraminimalistische soundscapes. Of op de tweede manier: luister met een koptelefoon. Dan hoor je hoe complex en minutieus de muziek van Deupree in elkaar zit. Massa's miniatuurgeluidjes duiken schijnbaar wanordelijk op uit de stilte.

De basis van het album werd eind 2009 gelegd toen Deupree de uitgebreide verzameling Javanese en Balinese gamelans van de Yorkse universiteit ontdekte. Niet het bespelen van deze instrumenten interesseerde hem. Hij was gefascineerd door de geluiden die de instrumenten maken als je ze oppervlakkig aanraakt of er zacht overheen aait met een strijkstok. Met die sounds creëerde hij een bed van loops. Een tweede laag zijn de geluiden die Deupree zelf maakte terwijl hij in de studio bewoog, de instrumenten toevallig aanraakte of bewerkte. ‘Shoals’ bestaat bijna hoofdzakelijk uit het geluid van microfoons in de ruimte waar Deupree componeerde. Hij isoleerde de geluidsfragmenten met het speciaal daarvoor ontworpen softwareprogramma Kyma en bouwde ze laag na laag terug op.

Niets is wat het lijkt op ‘Shoals’. Net als zijn vorige subtiele meesterwerk 'Stil.' telt het album slechts vier nummers die allemaal ruim over de 10 minuten gaan. Luisteren naar 'Shoals' is een merkwaardige trip. Sluit je ogen en je hoort op het titelnummer een school vissen terwijl ze tegen algen aanschuren, piepkleine waterbellen blazen of hun prooien oppeuzelen. De synesthesie tussen geluid en dagdroom gaat verder op ‘Rusted Oak’ waar je een rukwind hoort ruisen door het dichte bladerdak van een oude eiken reus.

Op het magistrale ‘A fading found’ ontvouwt een discrete loop zich tergend traag terwijl honderden minuscule bel- en gonggeluidjes zich eromheen weven. Wie goed luistert, ontdekt zelfs een fijngelaagde structuur in het schijnbaar chaotische ‘Falls touching grasses’, dat van drie kanten tegelijk op je af komt met een driedimensionaal klankenpalet van achteloos aangeraakte voorwerpen. De suggestie van Deupree is om dit album te beluisteren in het holst van de nacht. Het resultaat is verbluffend en bedwelmend. Een aanrader om dit eens uit te proberen!

Taylor Deupree, 'Shoals', cd review nu op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/237226-taylor-deupree-shoals-

Fighting for ourselves, we are fighting against…? On the Role of Ethnicity in the Tragic Events in Southern Kyrgyzstan

"Only in this context does it make sense to talk about interethnic conflict. Those who are fighting between themselves are not ethnicities and not cultures, not Kyrgyzness with Uzbekness, not plov [pilaf] with kumiss, although that is the image that popular Uzbek singer Yulduz Usmanova used in her song about the tragedy in Osh. People are fighting between themselves, certain that if they can rid themselves of “strangers” (throw them out, destroy them) they will gain a better life for themselves. The moreso because for many, no other avenues to attain that life remain. Cultural differences did not give birth to these convictions, but rather the social and political boundaries that were built on [those differences] over the course of decades."

http://enews.ferghana.ru/article.php?id=2643

Saturday, June 26, 2010

An Paenhuysen, De nieuwe wereld – de wonderjaren van de Belgische avant-garde [1918-1939]

TEGENSTEMMEN IN DE KUNSTWERELD

Het onorthodoxe boek 'De nieuwe wereld - De wonderjaren van de Belgische avant-garde' van kunsthistorica An Paenhuysen geeft een heel eigen kijk op de Belgische avant-gardistische kunstwereld van het interbellum. Het internationale kunsticoon René Magritte bekleedt in dit boek geen centrale plaats. In de plaats daarvan concentreert Paenhuysen zich op minder bekende en uitgeweken 'randfiguren' uit het interbellum zoals Paul Joostens, Seuphor, Paul Nougé en vooral de Brusselaar Edouard Mesens. 'Wat haar eigentijdsheid en haar voorhoedepositie betreft, geniet de Belgische artistieke avant-garde geen goede faam. Zij leek haar naam niet waar te maken. In de internationale kunst- en onderzoekswereld is zij veelal een blind spot of wordt zij soms als een vergeten exotisme opgerakeld', aldus An Paenhuysen.

Het begin van de Belgische avant-garde situeert Paenhuysen bij het tragische lot van de vergeten Antwerpse futurist Jules Schmalzigaug, de zoon van Duitse immigranten. De kunstenaar Schmalzigaug onttrok zich aan het provinciaalse nest Antwerpen en trok in vrijwillige ballingschap naar het buitenland, waar hij in contact kwam met uitgeweken landgenoten en met het futurisme. Een nomadische trektocht langs de grootsteden Berlijn, Parijs en Venetië was voor hem tegelijk een zoektocht naar de juiste avant-garde. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij halsoverkop terug naar België. De oorlogsomstandigheden dwongen hem om naar het neutrale Den Haag te verhuizen. Op 13 mei 1917 maakte de neurasthenische Schmalzigaug aldaar een einde aan zijn leven.

De Eerste Wereldoorlog bood een nieuwe generatie Belgische kunstenaars een tijd van onbeperkte mogelijkheden. De oorlog ontlokte revolte bij de jongeren aan en gaf een vruchtbare bodem voor hun avant-gardisme. Het eeuwenoude generatieconflict tussen ouderen en jongeren werd uitgevochten in een vernietigende oorlog. Tijdens de oorlogsjaren werd de grootstad ontdekt. In 1916 publiceerde Paul Van Ostaijen de dichtbundel ‘Music Hall’, een verslag van het leven in de stad met ‘haar auto’s, haar trems, haar electrisch licht, haar koffiehuizen en bioscopen; telefoon, vliegmachine, fiets en lantaarnpaal’. Ook na de oorlog bleef het snelle stadsleven de avant-gardisten inspireren. Zij probeerden een adequaat antwoord te vinden op de overvloed aan sensoriële stimuli die het stadsleven met zich meebracht.

Paenhuysen toont aan hoe nauw avant-garde samenhangt met ballingschap. Na de oorlog vonden verschillende Belgische avant-gardisten gedwongen of ongedwongen de weg naar het naoorlogse en revolutionaire Berlijn. Zowel Van Ostaijen en de minder bekende Clément Pansaers, Jozef Peeters of Fernand Berckelaers trokken naar Berlijn om er de sfeer op te snuiven. Het beeld dat ze hadden van de Duitse hoofdstad strookte echter niet met hun verwachtingen. De Belgen voelden zich onwennig in de ‘brede en koude straten van Berlijn, die aanvoelden alsof het alle dagen zondag was’. Geen enthousiast beeld dus. De aandacht verschoof al gauw naar de metropool Parijs. Fernand Berckelaers vond in het begin van de jaren ‘20 de weg naar Parijs, dat hun nieuwe kunstenaarsthuis werd. Hij veranderde zijn naam in Seuphor.

In 1926 werd in Brussel de start van een surrealistische groep ingeluid. De inspiratie vormden de Parijse surrealisten, maar de Brusselaars onder leiding van Paul Nougé, ELT Mesens en René Magritte zetten zich meteen af tegen de surrealistische droomwereld van hun Parijse leermeesters en kozen voor subversieve actie. De dreiging maakte bij de Brusselse groep deel uit van haar methode. De Parijse surrealisten wijdden zich aan de analyse van het onderbewuste en de droom. De Brusselse surrealisten richtten zich met subversieve actie tegen de burgerlijke maatschappij. In ’37 beklaagde Mesens zich in een brief over het proviciaalse Belgische kunstbeleid: ‘De Belgen begrijpen niet, en hun regering nog minder, dat een kunstschool die enkel lokale bekendheid heeft, gedoemd is te vegeteren…’

An Paenhuysen biedt geen overzicht van de avant-garde in het interbellum. Ze legt in een heldere taal en haarfijn de relaties bloot tussen het Belgische avant-gardisme en haar internationale mede- of tegenstanders in Venetië, Berlijn en Parijs. Ze toont aan dat avant-garde onverbrekelijk verbonden is met ballingschap. Kunstenaars ontvluchtten de beperkingen van de provincie en trokken naar de metropolen. Toen de verhouding tussen centrum en periferie na ’45 verloren door de globalisering, loste ook de avant-garde op. Opmerkelijk is dat ze in haar slotwoord Brussel de perfecte ‘postmetropool’ noemt. Het ontbreekt Brussel aan een synthese, schrijft ze, waardoor elk totalitair project ontbreekt. Voor Paul Nougé was het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ‘het einde van een stad, van een tijd, van een idee’. ‘De nieuwe wereld' is een must voor kunstliefhebbers, die graag iets dieper graven.

recensie verscheen op http://www.cuttingedge.be/books/reviews/236363-nieuwe-wereld-de-wonderjaren-van-de-belgische-avant-garde-1918-1939-

Wednesday, June 23, 2010

Michael Scott, ‘Het wrede ontwaken van een nieuwe wereld’

“Wanneer toch, wanneer zult u, mannen van Athene, doen wat nodig is? Wanneer wàt zal gebeuren? ‘Wanneer, bij Zeus, een noodzaak daartoe zal bestaan!’ Waarvoor moet men dan hetgeen thans aan het gebeuren is, wel houden? Ik meen immers dat voor vrije lieden schaamte over de situatie waarin zij zijn verzeild, de meest dwingende noodzaak is. Of verkiest u – zeg het mij! – te blijven rondslenteren en aan elkaar te blijven vragen: ‘Is er nieuws?’? Kan er wel groter nieuws te horen zijn dan het nieuws dat een Makedoniër op Atheners de ene overwinning na de andere behaalt en de zaken van de Hellenen doorlopend bereddert?”

Demosthenes, ‘Eerste Philippische Redevoering’, vertaling: Jean-Baptiste Sissau, 22 oktober 1968, pag. 5-6.

404 v.Chr. Het Spartaans leger belegert Athene en blokkeert de haven Piraeus, die de levensader vormde van de graanvoorziening van het dichtstbevolkte gebied van de toenmalige wereld. De roemruchte democratie Athene aanvaardt zijn nederlaag. Het Atheense rijk is dood. Mei 2010. Griekse jongeren bestormen het parlement en nemen het ei zo na in. De Griekse democratie wankelt weer. De financiële problemen, waarmee Griekenland worstelt, zijn niet nieuw. De vierde eeuw voor Christus was een periode van drastische veranderingen en bezuinigingen. Michael Scott focust op die die cruciale periode in de antieke Griekse geschiedenis. In tijden van massale geschiedvervalsing en van algemene culturele amnesie is zo’n boek van levensbelang. Het frist ons geheugen op en legt een parallel van het verleden naar het heden. Het verleden verschaft ons immers de middelen om datgene te scheppen wat we voor de toekomst belangrijk achten.

Wat voorafging: de gouden eeuw van Pericles. Pericles (490 v. Chr. – 429 v. Chr.) was de grootste staatsman van Athene tijdens de culturele en politieke bloeitijd van de stad tijdens de 5de eeuw v. Chr. Hij behoorde tot de democratische stroming van de Atheense politiek. Als veldheer leidde hij veldtochten tegen Boeotië en Aigina en vestigde hij de hegemonie van Athene. Hij vormde de Delische Bond om tot een leidend Atheens imperium. Hij onderhandelde een langdurige vrede met Sparta. In de binnenlandse politiek versterkte hij de democratische instellingen door minder bedeelde burgers democratische rechten te verlenen. In 431 v.Chr. brak de Peloponnesische oorlog uit. Ontevredenheid leidde tot een afzetting van Pericles maar in 429 v.Chr. werd hij herkozen. In dat jaar overleed hij aan de pest, de vreselijke ziekte die de Atheense bevolking in korte tijd decimeerde.

Wat volgde: na de dood van Pericles volgden 30 jaar chaos en verval. De voortdurende aanvallen van de Spartanen op de Atheense stadsstaat holden het gezag van de democraten uit. Voeg daarbij een economische en financiële crisis van jewelste plus drie opeenvolgende pestepidemieën die de bevolking decimeerden en je hebt het recept voor een debacle. Na de nederlaag tegen Sparta werden de vestingsmuren rond Athene gesloopt. Een raad van 30 tirannen nam het bestuur van de stad over. Nadat de tirannen korte tijd later verdreven werden, werd de democratie gedurende korte tijd in ere hersteld. Intussen dook in het Oosten een nieuw gevaar op. In Macedonië was een oppermachtige dynastie opgestaan. Philippus van Macedonië liep in 338 v. Chr. In Chaeronea de verenigde Thebaanse en Atheense legers onder de voet. Zijn zoon Alexander deed het nog beter. Hij wierp zich als heerser over Griekenland en veroverde in die hoedanigheid het Perzische rijk. Na zijn dood viel het rijk ten prooi aan anarchie en tirannie. Dat alles speelde zich af in nauwelijks 100 jaar.

Michael Scott belicht in zijn boek uitsluitend de periode tussen de dood van Pericles en de dood van Alexander. Het is een cruciale periode in de antieke geschiedenis. ‘Het wrede ontwaken’ is een vlot geschreven boek dat zich richt tot een breed publiek. De talloze referenties naar hedendaagse situaties maken het boek zeer toegankelijk. Soms maakt Scott het wat te gortig. Hij vindt bijvoorbeeld vergezochte overeenkomsten tussen de geschriften van Isckrates en Obama. Pagina’s na pagina’s worden gewijd aan een levensbeschrijving van Alexander de Grote die gekopieerd lijkt uit de grandioos mislukte Hollywoodfilm van een paar jaar terug. Demosthenes wordt omschreven als een ‘prince of darkness’, een rechtstreekse verwijzing naar de Amerikaanse havik Richard Perle die de tweede Golfoorlog in gang stak. Lessen trekken uit het verleden voor het heden? Gelukkig relativeert zijn inspanningen in een nawoord: ‘Graven in de geschiedenis houdt in dat we graven in een wereld die uit drijfzand bestaat, en toch kunnen we ons niet veroorloven om die wereld te negeren.’

Michael Scott, ‘Het wrede ontwaken van een nieuwe wereld – Ondergang en herrijzenis van het antieke Griekenland’, vertaald door Rogier van Kappel, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2010, ISBN 978 90 351 3456 0.

recensie verscheen eerder op http://www.cuttingedge.be/books/reviews/235960-wrede-ontwaken-van-een-nieuwe-wereld

Tuesday, June 22, 2010

Oneohtrix Point Never - 'Returnal'

ALIEN MET HOOIKOORTS

Van de overkant van de grote plas komt een nieuwe muzikale stroming op ons af. Een clevere journalist vond de naam ‘hypnagogic music’ uit voor het genre. Vrij vertaald betekent dat zoiets als ‘droom-’ of ‘hypnoseopwekkend’. De veelal spacey en droney muziek grijpt terug naar de Europese kosmische muziek en de krautrock van de jaren zeventig en tachtig. In tijden van crisis kopen Amerikaanse jongeren oude en goedkope analoge synths. Ze luisteren naar oude platen van Klaus Schulze, Popol Vuh of Tangerine Dream... Hun muziek klinkt navenant. De hypnagogics vormen geen aaneengesloten groep maar opereren los van elkaar in verschillende delen van de States op soms meer dan duizend kilometer van elkaar. De belangrijkste exponenten van het genre op dit ogenblik zijn Emeralds uit Cleveland en schrijver/musicus Daniel Lopatin aka Oneohtrix Point Never uit Massachussets.

‘Returnal’ is het vierde album van Daniel Lopatin. Eind 2009 verscheen de indrukwekkende dubbele cd set ‘Rifts’, waarop hij zijn drie vorige albums ‘Betrayed in the Octagon’, ‘Zones Without People’ en ‘Russian Mind’ compileerde. Het album werd in Engeland opgepikt werd door het vooraanstaande muziekblad The Wire en Oneohtrix werd uitgeroepen tot een hype. De Britten waren meteen wild van de sound van Oneohtrix Point Never. Aan het vierde album ‘Returnal’ werd dan ook heel veel zorg besteed. Pita Rehberg van het Weense Editions Mego was er als de kippen bij om de cd te releasen op zijn label. De Amerikaanse veelgevraagde undergroundproducer James Plotkin masterde de plaat. Stephen O’Malley van het gitzwarte collectief Sunn))))o verzorgde de hoes. Het betekent wel wat als je zo’n namen achter je krijgt. De verwachtingen waren dan ook hooggespannen voor ‘Returnal’.

Lopatin lost die verwachtingen behoorlijk in. Hij haalt zijn inspiratie uit science-fiction en utopische toekomstvisies. Het album begint erg atypisch met het chaotische ‘Nil Admirari’, een zinderende en kletterende noisetrack inclusief gemuteerde klaagzang. Het nummer doet wat denken aan wat O.S.T., Phthalocyanine, Low Res of Eight Frozen Modules eind jaren negentig uitrichtten met oude apparatuur. Op ‘Describing Bodies’ en ‘Stress Waves’ neemt hij gas terug voor een kamerbreed uitgemeten synthesizersound en diepe atmospherics. Echt interessant wordt het album op de titeltrack ‘Returnal’ met een vocal als een alien met hooikoorts. ‘Returnal’ is een vreemde bijna buitenaardse ballade die de hype rechtvaardigt en zich in je geheugen nestelt. Op de melancholische sounscapes ‘Pelham Island Road’ en ‘Where Does Time Go’ en het ambient werkstuk ‘Ouroboros’ breekt de zon even door het duister om dan meteen weer kopje onder te duiken in het dreigende en percussieve ‘Preyouandi’ dat eindigt met een bijna hymnisch zingende hogepriester Lopatin. Of is het een sample? ‘Returnal’ is een hoogst origineel album dat gemaakt werd met oeroude instrumenten. We kunnen niet wachten om meer van deze band te horen!

Oneohtrix Point Never, 'Returnal', albumreview op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/235677-oneohtrix-point-never-returnal-

Jon Hassell, 'Last night the moon came dropping its clothes in the street'

Ellington’s arrangement of “Caravan” makes the song. Starting in a minor key and performed with a Middle Eastern beat, the music creates an exotic atmosphere, all the while conjuring up such elements as camels, tents and the desert. - Jeremy Wilson over de jazz-standard ‘Caravan’ van Duke Ellington/Juan Tizol, www.jazzstandards.com

Eind jaren tachtig van de vorige eeuw was fusionjazztrompettist Jon Hassell in muzikaal opzicht zo hot dat hij in het zog van Eno’s Opal label een deal in de wacht sleepte met major Warner Brothers. Twee overgeproduceerde albums vol steedse rap- en hiphopinvloeden later ('City: Works of Fiction' uit 1990 en 'Dressing For Pleasure' uit 1994) sprong de deal af. Hassell zat een tijdlang zonder platencontract. Na een periode van herbronning kwam in 1999 het sobere 'Fascinoma' uit op het piepkleine Water Lily Acoustics, in een productie van niemand minder dan Ry Cooder met ondersteuning van akoestische zwaargewichten als Jacky Terrasson, Jamie Muhoberac, Rick Cox, e.a.

Voor 'Last night the moon came dropping its clothes in the street' werkte jazztrompettist Jon Hassell voor de eerste maal rechtstreeks samen met het vooraanstaande ECM-jazzlabel van Manfred Eicher. De opnames gebeurden in de Studios La Buissonne in de Franse Vaucluse. Na een aantal problematische pogingen tot samenwerking, waaruit bleek dat de ‘magie’ er niet echt was, ging elk zijn eigen weg. Toen de releasedate van het album eraan kwam, zat Hassell met de handen in het haar. Uit enkele sessies met Peter Freeman van zijn band Maarifa Street en opnames ten huize van gitarist Rick Cox had hij een album samengesteld met een mix van studio- en liveopnames.

Te eclectisch voor jazzpuristen en niet cerebraal genoeg voor de experimentele jazzmusici. Zo zou je de loopbaan van Hassell kunnen omschrijven. Van ‘Vernal equinox’ uit 1977 tot ‘Last night the moon came…’ verliepen vier grillige decennia met een vijftiental zeer verscheiden albums op diverse labels en evenveel opvallende samenwerkingen, met onder meer Talking Heads, Peter Gabriel en David Sylvian. Manfred Eicher drukte vooral zijn stempel op het eerste nummer ‘Aurora’. De bijna onherkenbaar gemuteerde trompet van Hassell werd ver naar achteren in de mix weggestopt ten voordele van de athmospherics en live sampling van Jan Bang. Het is gelukkig de enige echte ECM-track op de cd.

Pure Fourth World op ‘Abu Gil’: noord en zuid vinden elkaar in deze ode aan de orkestrale composities van vadertje Gil Evans. Flarden ‘Caravan’ en Evans drijven voorbij terwijl de oosters klinkende viool van Kheir Eddine M’Kachiche zich aanschuurt tegen de zwevende trompet van Hassell en de gitaar van Eivind Aarset. ‘Courtrais’ werd in november 2007 opgenomen tijdens een optreden in Kortrijk met een droombezetting, waaronder percussionist Steve Shehan, bassist Peter Freeman en de Noorse jazzvirtuoos Jan Bang.

Het tempo zakt drastisch op de door de bas van Freeman en de trompet van Hassell gedragen atmosferische tracks ‘Northline’, ‘Blue period’ (een herwerking van ‘Amsterdam blue’ van de soundtrack van de Wim Wenders film ‘Million dollar hotel’) en het vederlichte ‘Light on water’. De rest van het album wordt opgevuld met de ultrakorte muzikale miniaturen ‘Clairvoyance’ en ‘Scintilla’. 'Geluid als kalligrafie', vatte Hassell zijn werkmethode samen in een recent interview met het internetmagazine All That Jazz. Een puike prestatie!

dit artikel verscheen onder de titel 'Blazen naar de maan' op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/235445-jon-hassell-last-night-the-moon-came-dropping-its-clothes-in-the-street-

Jotie T'Hooft, 'Verzameld werk'

T’HOOFT, HET HART & DE HANDEN

Als Jotie T’Hooft nog geleefd had, wie of wat was hij dan geweest? Een Freddi Smekens, die hangend aan een toog in Brussel in zijn eigen bierlucht gedichten citeert? Een Marcel Van Maele, die ‘de tijdsgeest met een zelfde meesterschap en zekerheid verwoordt als een Allen Ginsberg in Amerika’? Of een Leonard Nolens, die ‘allitererend en woordversmeltend bij de critici een dor gerochel doet ontstaan over de grens tussen poëzie en proza’? Of nog, was hij een Hugues C. Pernath geworden, op ‘vrij eenzame hoogte door zijn brede, meeslepende verwoording en zijn grootse visie’? Zeker is dat een groot deel van de geschriften, die in zijn ‘Verzameld werk’ opgenomen werden, nooit het daglicht zouden gezien hebben. Welk schrijver kan immers verdragen dat zijn vroegste pennenvruchten aan de spiedende en vernietigende blik van de critici blootgegeven worden? Niettemin …

Leg je de turf zo voor je, dan lijkt hij wat op een zwierig doodskistje: inktzwart, ingelijst met wat paars en een schattig zwart lintje in het boek gevouwen. De overwegend donkere kaft wordt versierd met psychedelische, zilveren letters die 'Jotie T'Hooft, Verzameld werk' en de naam van de uitgeverij spellen. Ook de binnenkant oogt prachtig: mooi zetwerk en een papiersoort die eerder doet denken aan een nieuwe versie van de bijbel dan aan een gedichtenbundel. De gedichten, teksten en brieven zijn zorgvuldig verzameld en geannoteerd door Marie Lesy, met een verantwoording maar geen echt voorwoord. Hoger ingeschatte dichters hebben het ooit met minder moeten doen.

Het ‘Verzameld werk' telt negenhonderd bladzijden. T'Hooft drukt je met de neus op de feiten. De veel te jong gestorven schrijver had van in het begin een zeer duidelijke visie. Dat merk je doorheen dit boek. Wars van overdreven sentiment en goedkope emotie, kon hij van bij het prilste begin van zijn schrijverscarrière al vrij hard uit de hoek komen en je compromisloos bij de lurven vatten met zijn woorden. In het gedicht ‘De zee' schrijft hij ‘de zee een vals gebit/machteloos frazelend/tussen de kale dijken/van een vervuild bestaan'. Dit zijn geen woorden van een overgroeide puber! Het is allemaal vroegrijp, maar T'Hooft is ons insziens nooit minder dan aangrijpend. Voor deze uitgave is gekozen om geen ingrepen te doen en om zijn taal- en spellingsfouten niet te verschonen en de teksten te laten zoals hij ze schreef. Dat verhoogt in grote mate de authenticiteit van de geschriften.

Marie Lesy leverde prachtig werk met deze uitgave. Er werd geen selectie gemaakt op basis van criteria als kwaliteit of afgewerktheid. De editie maakt alle overgeleverde documenten voor een ruim publiek toegankelijk in een verzorgde editie met een minimum aan ingrepen, die in een hoofdstuk ‘Tekstconstitutie' nog eens minutieus opgesomd worden. Voor het eerst krijgt het lezerspubliek een sober werk zonder overdaad aan biografische informatie en beeldmateriaal. Zoals Lesy het stelt in haar verantwoording: dit ‘Verzameld werk' is een terugkeer naar de bron, zonder pittige details of voyeurisme.

De enige toegeving die ze doet, is de inlassing van drie interviews naar aanleiding van de verschijning van ‘Junkieverdriet', onder meer met Daniel Billiet van de Poëziekrant, met Luuk Gruwez en met W.M. Roggeman. Generaties en generaties laafden zich al aan het werk van T'Hooft. De nieuwe uitgave stelt zijn werk zoals het was opnieuw tentoon voor een nieuwe generatie jongeren en ouderen. Het laatste woord over Jotie T'Hooft is bij deze nog niet geschreven.

'Verzameld werk' van Jotie T'Hooft, Meulenhoff/Manteau, 2010, ISBN 978 90 8542 181 8.

recensie verscheen op www.cuttingedge.be

Paul Celan, Ingeborg Bachmann, 'Een dramatische liefde - Briefwisseling Ingeborg Bachmann-Paul Celan'

WATER EN VUUR

Veertig jaar geleden gooide Paul Celan zich van de Parijse Pont Mirabeau. De Joods-Roemeense dichter overleefde een naziwerkkamp, maar antisemitische aanvallen op zijn werk en plagiaatbeschuldigingen dreven hem van depressie naar psychische instorting en ten slotte naar de dood. De Duitse schrijfster Ingeborg Bachmann stierf op 17 oktober 1973 in een ziekenhuis in Rome aan de gevolgen van een woningbrand. De these van een zelfmoord werd nooit uitgesloten. De twee tenoren van de Duitse literatuur begonnen in 1948 een 'exemplarische' liefdesrelatie waaruit tussen 1948 en 1967 een intense briefwisseling ontstond.

Bachmann en Celan ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens het voorjaar van ’48 in het naoorlogse Wenen. Eind september van dat jaar verscheen zijn eerste bejubelde dichtbundel ‘Der Sand aus den Urnen’. De jonge veelbelovende studente Bachmann promoveerde met een proefschrift over Heidegger. Moeizame pogingen om een vergelijk te vinden liepen vast op onverzoenlijke tegenstellingen en pijnlijke meningsverschillen. De eerste brieven klinken bijna euforisch en lyrisch. Na verloop van tijd krijgt de briefwisseling een bittere ondertoon.

Eind december '50 ontmoetten ze elkaar in Parijs. Daarna zou het vier jaar duren voor de twee schrijvers opnieuw met elkaar in contact kwamen. Eind '56 verbleef Bachmann zonder medeweten van Celan in Parijs. Het onwaarschijnlijke gebeurde. In oktober '57 troffen ze elkaar ‘onverwachts’ op een symposium over literatuurkritiek. De liefdesrelatie werd kortstondig hervat. Een periode van intense briefwisseling volgde. Celan overstelpte Bachmann met brieven en gedichten. Dit keer was zij het die hem op een afstand hield. Hij was immers getrouwd en hij had een zoon. 'Je weet ook: je was, toen ik je ontmoette, beide voor mij: het zinnelijke en het geestelijke. Dat kan nooit gescheiden worden, Ingeborg.'

Eind '57 en einde '58 reisde Celan nog drie keer naar München om bij Bachmann te zijn. Wenen, Parijs en München werden later de referentie voor meerdere gedichten. Eind juni 1958 verbleef Ingeborg Bachmann een poos in Parijs. Ze ontmoette er zowel Celan als zijn vrouw Gisèle Lestrange. Enkele maanden later begon ze een relatie met de romanschrijver Max Frisch. Celan kreeg het almaar moeilijker. Plagiaatbeschuldigingen, antisemitische aanvallen op zijn werk, een zeer kwetsende recensie van de Duitse criticus Günter Blöcker brachten hem op het randje van de wanhoop. Vastgeraakt in een verzengende spiraal van groeiend onbegrip, manische depressie en uiteindelijk complete waanzin, probeerde hij op 24 november '65 zijn vrouw te vermoorden.

‘Een dramatische liefde’ is geen evident boek. De confronterende lectuur vraagt om een voortdurende concentratie en aandacht. De soms pijnlijk persoonlijke brieven, telegrams en korte notities zijn slechts onderbrekingen van de diplomatische stilte tussen Celan en Bachmann. Uit angst om elkaar nog verder te kwetsen blijft veel daarbij ongezegd. Celan en Bachmann waren zich bewust van hun belangrijke positie in de naoorlogse Duitstalige literatuur en van de invloed die ze op elkaar hadden. Ze zagen het belang in van hun briefwisseling, hoe sporadisch die ook verliep. Ondanks de onoverbrugbare persoonlijke tegenstellingen, blijven ze voor eeuwig verbonden door de brieven die een brug schiepen naar hun beider oeuvre. Dat hun levenslot bijzonder tragisch verliep, geeft aan hun correspondentie na bijna een halve eeuw een mythische draagkracht.

recensie verscheen op www.cuttingedge.be

'Een dramatische liefde - Briefwisseling Ingeborg Bachmann-Paul Celan', vertaald door Paul Beers, Meulenhoff/Persona, 2010, ISBN: 9 789029 084789.

Monday, June 21, 2010

Osh. As it was (story of militia major)

"Mercenaries – bluff. Drug kingpins – bluff. Criminal – bluff. I do not know who invented it and why. To justify the carnage? There is no work for mercenaries here. Drug kingpins and criminal trouble waters? In the calm and cozy Osh they were carefree. They did not need this war at all. They have gone to bottom now. Snipers? Yes, they exist. Believe me. I cannot disclose operative and investigative secrets. But snipers existed and still remain in plenty."

http://eng.24.kg/community/2010/06/21/12173.html

Brendan Perry - 'Ark'


KLAAGZANGEN VAN EEN OUDE MAN

De laatste wereldtournee van Dead Can Dance dateert alweer van 2005. Of het duo Brendan Perry en zijn muse Lisa Gerrard ooit nog samen zal optreden, is zeer de vraag. Gerrard legde zich intussen met veel succes toe op soundtracks voor grootse Hollywoodproducties. Haar stem kon je onder meer horen in Russell Crowe’s ‘Gladiator’. Vorig jaar ging ze op tournee met krautrocker Klaus Schulze. Perry trok zich terug in relatieve isolatie in het dorpje Cavan op het Ierse platteland waar hij zich toelegde op muziek, astronomie en arboricultuur. Zijn eerste soloplaat ‘Eye Of The Hunter’ uit 2003 werd opgenomen in zijn eigen Quivvy Church studio in County Cavan. Zeven jaar later ligt zijn tweede worp hier voor ons. Het in eigen beheer uitgebrachte ‘Ark’ is een typische Brendan Perry album geworden maar dan wel één met met een duister randje.

Dat Dead Can Dance tijdens zijn bijna 20-jarig bestaan last had van een zeker cultuurpessimisme en een uiterst sombere visie op de wereld, is een understatement. Het was de prachtige stem van Lisa Gerard die meermaals de balans deed overslaan en die het muzikaal palet van de groep verrijkte. Zij liet het licht toe in veel van de albums van Dead Can Dance. De songs, die door Brendan Perry gezongen werden, handelden meestal over het onrecht in de wereld en ze gaven blijk van een bijna ondraaglijke smart en melancholie om het voorbijgaan van de tijd en het verval van de wereld. Velen kickten vooral op het stemgeluid en het charisma van Lisa. Ons blijft de gedragen stem van Brendan Perry het meeste bij. ‘Ulysses’, ‘Anywhere out of the world’ en ‘Severance’ behoren tot onze favoriete songs aller tijden.

Een soloalbum van Perry verschilt in eerste instantie niet zo gek veel van een gewoon Dead Can Dance album. De tracks ‘Babylon’ en het veel te lang uitgesponnen ‘Crescent’ zijn zelfs speciaal gecomponeerd voor de reünietournee van 2005. ‘Crescent’ bloeit traag open met die typische bijna Oosterse percussie die je bijvoorbeeld ook vindt op het Dead Can Dance nummer ‘Cantara’. De songs ‘The Bogus Man’, ‘Babylon’ en ‘This Boy’ vormen een centrale trilogie waarin Perry filosofeert over corruptie en oorlogsgeweld. De echte verrassing van het album vormt het uiterst wrange ‘Inferno’ waarin hij zijn pessimistische wereldvisie samenvat: I watch the tv, it’s my world/It takes my mind beyond these walls/The more I see the less I care/For all the people out there. De albumtitel en het centrale thema ‘Ark’ werden gelicht uit het 7 minuten durende ‘The Devil and the Deep Blue Sea’ dat handelt over de bijna onafwendbare ondergang van de aarde.

‘Ark’ is een ondraaglijk donker album geworden. Er wordt ons geen sprankel hoop gegund. Kille, synthetische soundscapes vervangen de live instrumentatie van ‘Eye of the Hunter’. Drumcomputers en bassen overheersen het album. Perry nam het album op ver van de bewoonde wereld met als gezelschap een computer en een tv. Zijn klagerige en monotome stem, de monomane thema’s, de plechtige en bijna symfonische muzikale omlijsting maken het ons niet altijd makkelijk. Ons idee is dat ‘Ark’ muzikaal en tekstueel eigenlijk het nieuwe Dead Can Dance album vormde. Onderweg liep iets grondig fout. De platenmaatschappij wou niet meer. Het klikte niet meer tussen Perry en Gerrard. Of Perry gaf er gewoon de brui aan… Wat maakt het uit? Het prachtige ‘Wintersun’ bloeit open als een mistige Ierse winterdag. En ‘Utopia’ bezit de prachtigste lyrics die we dit jaar hoorden: I feel greater than the sum of all my parts/A domestic beast with a hairy heart. En dan verder: My love is like a bright guiding light/Shining in the dark of the night/The star of my utopia.

Brendan Perry, 'Ark' cd review te lezen op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/235689-brendan-perry-ark-

Wednesday, June 16, 2010

De duivel in Hope Sandoval



Een beetje vergeten tussen het overaanbod, maar nu weer actueel door een prachtige videoclip en een samenwerking met Massive Attack: de mooie Hope Sandoval is terug. Bijna een decennium scheiden 'Through the devil softly' van 'Bavarian fruit bread'. De fans van de voormalige frontvrouw van Mazzy Star zijn hondstrouw. Jarenlang bevolkten ze de fansites met bijna pathetische oproepen om nieuw materiaal uit te brengen. Sandoval bleef al die tijd gehuld in een hooghartig zwijgen. Hier en daar werd ze gespot in coffeeshops in en rond LA, maar ze leek verloren voor de muziek. Het nieuwe album met de Warm Inventions, 'Through the devil softly' verschijnt dertien jaar na het laatste album van Mazzy Star en acht jaar na haar laatste soloalbum.

De nieuwe single 'Trouble' is een dijk van een nummer, dat in een eerlijke wereld een onwaarschijnlijke hit zou kunnen worden. De song klinkt bijna als Mazzy Star uit de late dagen of als een nieuw nummer van My Bloody Valentine met die breed uitgesmeerde wall of sound van Colm Ó Cíosóig (gitarist en drummer van My Bloody Valentine). Aan de plaat werd eind vorig jaar een bescheiden 'wereldtournee' in intieme en zeer kleinschalige locaties gebreid. De optredens in de VS en Europa waren zeer wisselvallig van kwaliteit. Gelukkig maakt het album ons ietwat gelukkiger. De single 'Blanchard', voorloper 'Wild roses', 'For the rest of your life', 'Lady Jessica and Sam', 'Sets the blaze', 'Thinking like that', 'There's a willow', 'Trouble' en 'Fall aside' zijn intieme en soms erg frêle songs. De wonderlijke stem van Sandoval staat nog altijd als een huis. Ze is bovendien op haar 43e nog even bloedmooi.

De comeback van Hope Sandoval is wat ons betreft een maat voor niks voor het grote publiek. Dit album wordt niet opgepikt, tenzij door ingewijden. Ze is te lang weggeweest. Haar songs zijn bijna niet meer van deze tijd. In al die jaren is er nauwelijks iets veranderd. De onderwerpen bleven hetzelfde. De muzikanten van 'Through the devil softly' spelen ook op 'Bavarian fruit bread'. We vinden het ook spijtig dat ze de vernieuwende bijdragen, die ze leverde voor jazzgitarist Bert Jansch, Chemical Brothers, Vetiver, Death In Vegas en The Jesus And Mary Chain niet door kan trekken op haar eigen soloalbums. Er is de belofte van een nieuwe plaat van Mazzy Star die dit jaar nog zou verschijnen. Maar luister vooral eens naar 'Paradise circus' van de nieuwe plaat van Massive Attack om de duivel in Hope Sandoval opnieuw te horen. 'Through the devil softly' is een té bescheiden juweeltje.

cd review verscheen op
http://www.cuttingedge.be/music/reviews/235036-hope-sandoval-the-warm-inventions-through-the-devil-softly-

'Through The Devil Softly' Hope Sandoval & The Warm Inventions', Nettwerk Records, zie http://www.hopesandoval.com/. Het album is verkrijgbaar via http://www.amazon.co.uk/

Tuesday, June 15, 2010

People Like Us & Wobbly - 'Music for the Fire'


MUZIEK VOOR IN HET HAARDVUUR

In den beginne was er de analoge magnetische tape. Toen kwam iemand op het lumineuze idee om de tape te splicen en met de aparte stukjes een volledig nieuw muziekstuk te maken. Die collagetechniek opende onvermoede mogelijkheden. Je kon er immers een bestaand muziekgenre mee parodiëren. De eerste die daarmee begon, was de Amerikaan John Oswald. In 1989 bracht hij een verknipt samplingalbum uit dat ‘Plunderphonics’ heette. Op de hoes plakte hij het hoofd van Michael Jackson op het naakte lichaam van een Kaukasische vrouw. De platenmaatschappij van Jackson steigerde. Het kwam tot een ophefmakende rechtszaak. Oswald had een nieuw genre gecreëerd: de plunderphonics. Hij kreeg gauw navolging. De legendarische groep Negativland bracht in ’91 een album uit dat ‘U2’ heette en evenveel ophef veroorzaakte. Don Joyce en zijn bende werden tegen wil en dank zelf een supergroep en werden door de advocaten van U2 voor de rechter gedaagd en nagenoeg het bankroet ingejaagd.Het verhaal haalde de nationale en internationale pers en werd uitgebreid gedocumenteerd in het boek ‘Fair use. The story of the letter U and the numerical 2’.

Toen kwamen de digitale geluidsdragers. Het bijzonder tijdrovende werk van het splicen en het terug samenlijmen van uit verschillende bronnen afkomstige stukjes muziek, werd een pak eenvoudiger door de opkomst van de computer en de bijbehorende samplingsoftware. Nagenoeg iedereen kon nu vrij over de nieuwe samplingtechnieken beschikken. Een zekere Philo T. Farnsworth (let op: dit is een schuilnaam!) startte halfweg de jaren negentig zelfs een muziekplatform dat zich volledig toelegde op ‘plunderphonics’. Illegal Art was geboren. In 1998 bracht hij ‘Deconstructing Beck’ uit. Verschillende artiesten uit het undergroundcircuit sampleden de songs van de toen razend populaire rockartiest Beck en maakten nieuwe nummers met behulp van de samples. Illegal Art koos Beck omdat hij zelf samples gebruikt van andere artiesten om zijn eigen nummers te componeren. Hij deed dat weliswaar tegen betaling! Illegal Art gebruikte Beck gratis. Die kon gelukkig wel lachen om de cd waarin zijn werk uitgebreid gesampled werd en het kwam dit keer niet tot een proces wegens copyright infringement. Beck profiteerde wel van de reclame en het commerciële succes van de ‘Deconstructing Beck’ cd want de zaak werd weer eens breed uitgesmeerd in de muziekpers.

Het collectief Illegal Art profiteerde in de meer dan tien jaar van zijn ondergronds bestaan van de verregaande veranderingen in de muziekwereld en werd een gerespecteerd bovengronds pay-what-you-want muziekplatform en een model voor downloads van een zeer hoge en consistente kwaliteit. Tal van merkwaardige releases volgden elkaar gedurende de jaren op. Aan de laatste release ‘Music for the Fire’ van People Like Us & Wobbly merk je dat ‘plunderphonics’ een volwaardig en erkend genre geworden is. Niemand kijkt nog op van een sample meer of minder. Het maatschappijkritische is er van af. Dolly Parton, The Carpenters, Lionel Ritchie, Lou Rawls, Barry White en talloze andere muzikanten fietsen vrolijk voorbij in de bonte en ingenieuze muzikale collageconstructies van de Britse Vicky Bennett alias PLU en de Amerikaan Jon Leidecker aka Wobbly. De vroegere plunderphonics hadden nogal eens de neiging om onbeluisterbaar en chaotisch over te komen bij de luisteraar. Maar Leidecker en Bennett werken al sinds 1998 samen via live improvisatie en online uitwisselingen en slagen erin om het genre te perfectioneren en er een coherent en af en toe zelfs zeer entertainend geheel van te maken. De muziekcollages volgen in elkaar hoog tempo op en draaien rond één thema: gebroken relaties, verkeerde communicatie en hartenpijn. Er zit zelfs een lyric sheet bij de cd. ‘Hello’ samplet stukjes Lionel Ritchie. Op ‘Fertile’ hoorden we waarempel onze eigenste Jacques Brel opduiken. Het korte ‘Bad news’ beweegt zich in een vicieuze cirkel omheen de donkere soulstemmen van Barry White en Lou Rawls. Op het hilarische ‘Pain’ gaan jodel- en piepstemmetjes aan de haal met ‘Yellow Brick Road’ van Elton John. ’Music for the Fire’ is een vernuftig samengestelde en hilarische cd. Maak er met je vrienden een spelletje van om de meeste samples te raden. Ondanks de heikele thema’s amusant en cheesy luistervoer!

People Like Us & Wobbly, 'Music for the Fire' cd review op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/234697-people-like-us-wobbly-music-for-the-fire-

Friday, June 11, 2010

Alva Noto & Blixa Bargeld - 'ret marut handshake'

ELEKTRISCHE HANDDRUK VAN EEN ZWARTE KRAAI

Een optreden van de woeste Einstürzende Neubauten in het slaperige Kortrijk in het begin van de jaren tachtig zorgde ooit voor een zware rel. De band maakte zoveel kabaal met hun zelf gefabriceerde instrumentarium dat alle veiligheidszekeringen van de concertzaal de Limelight aan diggelen gingen en dat de boel bijna in de fik vloog. De band moest zonder elektriciteit het optreden afwerken. Was het louter een ongeval of was het doelbewuste sabotage van slapeloze buren? We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen... Zeker is dat sindsdien elektrische bands niet meer welkom waren in Kortrijk. 'Electricity' is waarlijk 'fiction', zo konden de bandleden toen aan den lijve ervaren. Of het nummer autobiografisch is of niet, 'Electricity is fiction' is één van de 5 van elektriciteit zinderende tracks van de ep 'ret marut handshake' van Einstürzende frontzanger Blixa Bargeld samen met Carsten Nicolai aka Alva Noto.

De samenwerking tussen Bargeld en Nicolai begon in 2007 tijdens een optreden in San Francisco. Zo op papier lijkt de gewaagde alliantie van de vocale acrobatieën van Bargeld en de elektronische experimenten van de Berlijnse avant-garde technoproducer voor elektrische vonken te zullen zorgen. De schuurpapieren stem én gitaar van Bargeld maakten jarenlang deel uit van Nick Cave & Bad Seeds. Met zijn industrieel combo Einstürzende Neubauten teistert hij al ruim 30 jaar alle internationale podia. Nicolai daarentegen kan zelfs de flauwste technodeun omvormen tot iets dat levensgevaarlijk klinkt. Hij werkte samen met zowat iedereen in de experimentele muziekmarge, van Michael Nyman tot Ryuichi Sakamoto.

Het acht minuten durende nummer ‘ret marut handshake' is een echte hellraiser geworden. Ret Marut is het pseudoniem van de schrijver B. Traven (1890-1969), één van de meest mysterieuze, Duitse schrijvers. Literatoren zijn het er nog steeds niet over eens of B. Traven wel degelijk Ret Marut was. Hij schreef succesvolle romans als Het dodenschip, De schat van de Sierra Madre en De derde gast. Het personnage ret marut past perfect bij Bargeld. 'Ich schreibe nicht, ich schreie' keelt hij. Haarsplijtende beats en metalige voiceovers maken van het nummer één van de meest gedurfde en geschiftste technotracks van 2010.

De rest van de ep lijkt hierbij vergeleken lichte en doodgewone kost. Het reeds aangehaalde 'Electricity is fiction' is een van statische elektriciteit knisperende track die zo op elk recent Neubauten-album had kunnen prijken. Ergens halfweg wordt het nummer uit elkaar gereten door de oerschreeuw van Graaf Bargeld. 'I wish i was a mole in the ground' is een versie van een folkdeuntje dat ooit gezongen werd door Bob Dylan. 'Bernsteinzimmer' is een vrij korte lyrische beschouwing over eenzaamheid. ‘One’ is een verrassende en door Bargeld erg gloedvol gezongen cover van een song van Harry Nilsson. De ep 'ret marut handshake' is een voorproefje van wat er ons te wachten. In september 2010verschijnt een full-cd van beide heerschappen op Nicolai’s Raster-Noton label...


Alva Noto & Blixa Bargeld, 'ret marut handshake' ep review op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/234588-alva-noto-blixa-bargeld-ret-marut-handshake-

Greie Gut Fraktion - 'Baustelle'



TWEE FREULES OP EEN BOUWWERF

Het eenmalige project Greie Gut Fraktion bestaat uit de Duitse freules Antye Greie en Gudrun Gut. De zeer productieve Antye Greie stond aan het eind van de jaren negentig aan de wieg van de Duitstalige triphop met het fijnzinnige duo Laub, dat nooit echt spectaculair doorbrak maar toch een behoorlijke schare fans wist op te bouwen met een paar door de kritiek zeer gesmaakte albums. Na Laub, dat in 2007 nog eens kortstondig opnieuw tot leven kwam, vestigde ze zich in Hailuoto Finland aan de zijde van technopionier Vladislav Delay en legde zich toe op het meer experimentele en poëtische doe-het-zelf project AGF en samenwerkingen met Delay, Craig Armstrong en nu ook Gudrun Gut. Gut runt vanuit Berlijn het toonaangevende Monika Enterprise technolabel en brengt zelf af en toe een album uit. De laatste ‘I put a record on’ bracht haar op een wereldwijde tournee naar Nieuw-Zeeland, Australië, Rusland en zelfs China.

De twee technoladies startten in de winter van 2008 met een gezamenlijk project dat ‘Baustelle’ gedoopt werd. Aanleiding was een opdracht van het BBC-laatavondprogramma ‘Late Junction’ om een versie in elkaar te flansen van het aanstekelijke neue Deutsche Welle hitje uit het begin van de jaren tachtig ‘Wir bauen eine neue Stadt’ van het vergeten groepje Palais Schaumburg van Holger Hiller en de nog immer zeer actieve Thomas Fehlmann. Als smaakmaker en als aparte cd is er dus eerst en vooral de remix-ep ‘Wir bauen eine Stadt’ van het onfortuinlijke Palais Schaumburg. Als je het ons vraagt: in de versie van de twee dames wordt dit een geheide internationale hit … De hoekige, funky en complexe avant-garde ritmes van het onvergetelijke origineel werden omgebouwd tot een stuwende en beenharde technotrack die zo de Berlijnse clubs in kan. De mini-cd bevat verder een loeiende en donkere deconstructie van die andere Duitse beeldenstormer Karsten Nicolai aka Alva Noto en twee rustiger Freiland Klaviermixen van Wolfgang Voigt aka Gas aka Mike Ink.

De aanvankelijke samenwerking was artistiek gezien zo’n succes dat Gut en Greie meteen besloten om de overwegend mannelijke wereld van de bouwvakkers in te duiken en een volledig album op te nemen opgetrokken rond geluiden van bouwwerven in en rond hun respectievelijke steden. Vanuit hun woonplaatsen Berlijn en Hailuoto zonden ze elkaar online technotracks en geluidsflarden en -fragmenten waarmee ze aan de slag gingen. Drilboren, hamers, cementmixers, e.d. werden verwerkt in elf technotracks.

De volledige cd ‘Baustelle’ gaf ons een eerder onaffe indruk. We konden ons niet van het gevoel bevrijden dat de versatiele technodames het project (wegens te drukke bezigheden?) al in een vroeg stadium opgaven en nooit tot het uiterste doorvoerden. De mogelijkheden van het thema, opbouwen en afbreken, constructie en deconstructie, worden nooit volledig uitgebuit en ze verliezen zich meermaals in nodeloos experimenteel gefriemel zoals op ‘China memories’ en ‘White oak’. De cd begint nochtans heel spannend met het snijdende ‘Cutting Trees’ opgebouwd rond echte cirkelzaaggeluiden en een pompend ritme én met de albumversie van ‘Wir bauen eine neue Stad’. Waar de beukende technomuziek gewoon voor zich zelf spreekt, zoals op de spannende tracks ‘Drilling An Ocean’ en ‘Make it work’, werkt het procédé naar behoren… Als de ego’s van de meisjes de overhand nemen, dan haalt het album niet meer hetzelfde niveau als voorheen en loopt één en ander zelfs grondig fout. Erbarmelijk Engels, foute lyrics en mager zangtalent nekken meermaals het album. Een goeie raad: download de remixes van ‘Wir bauen eine neue Stadt’ samen met ‘Cutting Trees’, ‘Drilling an ocean’ en ‘Make it work’. Da’s ruim voldoende!


Greie Gut Fraktion, 'Wir bauen eine neue Stadt remix' ep en 'Baustelle' cd review op http://www.cuttingedge.be/music/reviews/234578-greie-gut-fraktion-baustelle